column in eigenWijs 41
De dag dat ik deze column schrijf is het de Internationale dag van de Rechten van het Kind. ‘Kinderrechten zijn meer dan basisbehoeften zoals eten, bescherming en onderwijs’, zegt Karin Arts, hoogleraar Internationaal Recht in de Volkskrant. ‘Het gaat om het meenemen van kinderrechten in beleid en de bereidheid naar kinderen te luisteren.’
Luisteren wij echt naar kinderen? Toen ik voor het eerst kennismaakte met de filosofie Ruim Baan, die Kinderopvang Humanitas hanteert bij jonge kinderen, schrok ik van mijn eigen onwetendheid. Ik pakte mijn kind op als het in zijn stoel moest om te eten, zonder aankondiging. Ik deed hem een dikke jas aan als ík het koud had. Ik gaf hem een extra hapje als ík vond dat een half bakje fruit niet genoeg was. Ik bepaalde wat mijn kind moest doen. Wat luisterde ik slecht.
Nu zijn mijn kinderen groter en ze roepen me wel tot de orde als ik niet luister. Maar ook dan komen er moment waarop volwassenen slecht luisteren naar kinderen. Zulke momenten zijn bijvoorbeeld toetsmomenten.
Een landelijke toets voor kleuters is onlangs tegengehouden door de Tweede Kamer. Tot leedwezen van staatssecretaris Sander Dekker. ‘Het enige waar naar gekeken wordt, is of kinderen kleuren en woordjes herkennen en of ze de basis van het tellen hebben opgenomen’, zegt Dekker.
Ja, ja. Een voorbeeld uit de Cito-kleutertoets: wat hoort niet in het rijtje thuis bikini, ijsje, sneeuwpop. Bikini, zegt het kind, want die andere twee zijn koud. Fout, zegt Cito. Sneeuwpop hoort er niet bij, die ander twee horen bij de zomer. Luisteren we wel naar wat het kind zegt of hebben we zo onze eigen waarheid?
Hoeveel kinderen uit groep 8 krijgen komende maanden weer een middelbare-schooladvies. Hoeveel kinderen worden vastgepind op een cijfer dat toetsinstituten als Cito hebben bepaald. Hoe weinig luisteren we naar kinderen die de ene dag iets wel kunnen, de volgende dag weer niet en de dag erna weer wel.
‘De belangen van het kind dienen altijd centraal te staan’, zeggen ook de hoogleraren De Ruiter en Öry in NRC Handelsblad. Ze breken dan een lans voor meer luisteren naar kinderen, ook jonge kinderen, als het gaat om kindermishandeling. ‘Vaak wordt geredeneerd vanuit de misvatting dat jonge kinderen niet door de politie kunnen worden verhoord.’
Ook jonge kinderen communiceren. Met heel hun wezen. Ik word dan ook altijd een beetje treurig van ouders, meestal vaders, die hun kinderen pas leuk gaan vinden als ze gaan praten. Natuurlijk is niets zo moeilijk als goed luisteren, zeker naar kinderen en zeker naar baby’s. Maar al doende leert men. Jammer dat de babytijd te kort is, om te leren genieten van een huilende baby.
maandag 23 december 2013
Finland
in Management Kinderopvang, 12 2013
Peter van Lieshout, lid van de Wettenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zei het heel duidelijk (de Volkskrant, 5 november): ‚De basisschool is ook een vorm van kinderopvang, alleen noemen we dat niet zo. Op de basisschool zien we dat kinderen opgevangen worden in een stimulerende omgeving waarin ze dingen leren die hun leven rijker maken.’ Dat wenst Van Lieshout ook voor de kinderopvang. Zijn WRR pleit voor een ander soort kinderopvang: minder nadruk op opvang, meer op onderwijs. ‚In emancipatoire zin is er met kinderopvang weinig winst meer te boeken. Maar wel in educatieve zin. Maak van de kinderopvang een educatieve omgeving waarin je de cognitieve vermogens van kinderen uitdaagt.’
Als het om educatie gaat, kijkt heel Nederland tegenwoordig naar Finland. Finland-bingo: als het woord Finland ergens op de eerste twee bladzijden van een beleidsnota voorkomt, heb je bingo. Altijd prijs.
Dit voorjaar kwam de Finse goeroe Pasi Sahlberg naar Nederland. Hij vergeleek het Nederlandse en Finse systeem. In Nederland zijn kinderen vanaf vier jaar leerplichtig. ‚Te vroeg’, oordeelt Sahlberg, aldus School aan Zet (22 mei). In Finland gaan kinderen pas op zevenjarige leeftijd naar school. Daarvoor gaan ze naar Kindergarten. ‚Dat betekent niet dat er geen educatie plaatsvindt in de Finse voorschoolse instellingen. “Spelen is een complexe set van vaardigheden en houding. Kinderen zijn goed in spelen als ze verbeeldingskracht en creativiteit laten zien. Begeleiders in Kindergarten en Daycare zijn allemaal universitair opgeleid en getraind om kinderen goed te observeren, om hun nieuwsgierigheid en leergierigheid te prikkelen.”’
Bovendien ligt zowel in de Finse voorschool als op school de nadruk niet alleen op cognitieve vakken. Zo gaan kinderen in het basisonderwijs na elke 45 minuten les een kwartier naar buiten. Dat vertelt lerares Hanna Noomen, van Finse afkomst (Volkskrant 9 november). ‚Dan zijn ze daarna veel frisser.’
Ook Noomen roemt het Finse onderwijs vanwege de professionaliteit van de leerkrachten. Om in Finland op de lerarenopleiding te komen, moet je niet alleen hoge cijfers hebben op het vwo, maar ook aantonen dat je cultureel ontwikkeld bent. ‚Ik moest mijn diploma’s van dansles en pianoles laten zien. Als je die niet hebt, kom je er niet in.’
De kwaliteit in het onderwijs moet omhoog. Dat vraagt om professionalisering, zei Geert ten Dam, voorzitter van de Onderwijsraad in NRC Handelsblad (2 november). Ook pleit zij voor meer waardering van niet-cognitieve capaciteiten.
We kunnen voorspellen dat deze discussies over professionalisering zich binnenkort verplaatst van het onderwijs naar kinderopvang. Het is goed als de kinderopvang daarop alvast een voorschot neemt. En wie weet gaan we dan ook, net als Finland, een scheidslijn maken bij zes jaar in plaats van vier jaar.
Peter van Lieshout, lid van de Wettenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zei het heel duidelijk (de Volkskrant, 5 november): ‚De basisschool is ook een vorm van kinderopvang, alleen noemen we dat niet zo. Op de basisschool zien we dat kinderen opgevangen worden in een stimulerende omgeving waarin ze dingen leren die hun leven rijker maken.’ Dat wenst Van Lieshout ook voor de kinderopvang. Zijn WRR pleit voor een ander soort kinderopvang: minder nadruk op opvang, meer op onderwijs. ‚In emancipatoire zin is er met kinderopvang weinig winst meer te boeken. Maar wel in educatieve zin. Maak van de kinderopvang een educatieve omgeving waarin je de cognitieve vermogens van kinderen uitdaagt.’
Als het om educatie gaat, kijkt heel Nederland tegenwoordig naar Finland. Finland-bingo: als het woord Finland ergens op de eerste twee bladzijden van een beleidsnota voorkomt, heb je bingo. Altijd prijs.
Dit voorjaar kwam de Finse goeroe Pasi Sahlberg naar Nederland. Hij vergeleek het Nederlandse en Finse systeem. In Nederland zijn kinderen vanaf vier jaar leerplichtig. ‚Te vroeg’, oordeelt Sahlberg, aldus School aan Zet (22 mei). In Finland gaan kinderen pas op zevenjarige leeftijd naar school. Daarvoor gaan ze naar Kindergarten. ‚Dat betekent niet dat er geen educatie plaatsvindt in de Finse voorschoolse instellingen. “Spelen is een complexe set van vaardigheden en houding. Kinderen zijn goed in spelen als ze verbeeldingskracht en creativiteit laten zien. Begeleiders in Kindergarten en Daycare zijn allemaal universitair opgeleid en getraind om kinderen goed te observeren, om hun nieuwsgierigheid en leergierigheid te prikkelen.”’
Bovendien ligt zowel in de Finse voorschool als op school de nadruk niet alleen op cognitieve vakken. Zo gaan kinderen in het basisonderwijs na elke 45 minuten les een kwartier naar buiten. Dat vertelt lerares Hanna Noomen, van Finse afkomst (Volkskrant 9 november). ‚Dan zijn ze daarna veel frisser.’
Ook Noomen roemt het Finse onderwijs vanwege de professionaliteit van de leerkrachten. Om in Finland op de lerarenopleiding te komen, moet je niet alleen hoge cijfers hebben op het vwo, maar ook aantonen dat je cultureel ontwikkeld bent. ‚Ik moest mijn diploma’s van dansles en pianoles laten zien. Als je die niet hebt, kom je er niet in.’
De kwaliteit in het onderwijs moet omhoog. Dat vraagt om professionalisering, zei Geert ten Dam, voorzitter van de Onderwijsraad in NRC Handelsblad (2 november). Ook pleit zij voor meer waardering van niet-cognitieve capaciteiten.
We kunnen voorspellen dat deze discussies over professionalisering zich binnenkort verplaatst van het onderwijs naar kinderopvang. Het is goed als de kinderopvang daarop alvast een voorschot neemt. En wie weet gaan we dan ook, net als Finland, een scheidslijn maken bij zes jaar in plaats van vier jaar.
Voor school
in Management Kinderopvang, november 2013
De Tegenlicht-documentaire over de Superschool van Eric van ’t Zelfde in Rotterdam deed veel stof opwaaien bij basisscholen en voortgezet onderwijs. ’t Zelfde wil van zijn Hugo de Groot-school een Superschool maken voor leerlingen van 2 tot 18 jaar. Hij wil zelf invloed kunnen uitoefenen op wat er op de basisschool gebeurt. ‘De taal- en andere achterstanden zijn zo groot dat mijn school daar de dupe van is’, zegt hij in de Volkskrant (1 oktober) naar aanleiding van de documentaire. Basisschooldirecteuren natuurlijk in de gordijnen.
De kinderopvang heb ik in het debat echter niet gehoord. Terwijl ’t Zelfde ook plannen heeft met de twee- en driejarigen, want hij heeft het niet over 4 tot 18, maar over 2 tot 18. Citaat uit hetzelfde Volkskrant-artikel: ‘Tussen 0 en 5 jaar leert een kind het meest wat hij ooit zal leren: praten, wat liefde is, en zijn geweten en taalgevoel worden gevormd. Het onderwijssysteem werkt niet in Rotterdam-Zuid, de Haagse Schilderswijk of het Utrechtse Kanaleneiland.’
Niet alleen de basisscholen azen dus op jonge kinderen, ook het voortgezet onderwijs wordt een concurrent van de kinderopvang. ‘Laat crème de la crème het onderwijs verzorgen’ kopt een opinieartikel van ’t Zelfde een dag eerder in dezelfde krant (30 september).
Wie is de crème de la crème voor de voorschoolse periode? Althans wie zou dat moeten zijn? Precies. Gelukkig weten de verschillende partijen die zich met opvoeding en onderwijs bezighouden elkaar steeds beter te vinden. Zie de gezamenlijke Peuterbrief die zij uitstuurden naar minister Asscher (zie artikel elders in dit nummer). Gelukkig zien basisscholen steeds beter de waarde van de kinderopvang.
Nog meer nieuws over peuters. In een Brandpunt-reportage (29 september) op tv werden de peuter- en kleutertoetsen aan de kaak gesteld. Te veel een momentopname, te zeer gedomineerd door een commercieel toetsbedrijf. Lees ook het onthullende artikel in Didactief (september 2013) over vermenging van de publieke en private poot van het Cito.
Ook in de peutertoetsdiscussie mis je de expertise van de kinderopvang. Wie kan de ontwikkeling van kinderen stimuleren zonder in een schools systeem te vervallen? Althans wie zou dat moeten kunnen? Precies.
De voorschoolse periode wordt in de maatschappelijke discussie steeds belangrijker. De kinderopvang moet een belangrijke speler zijn in die discussie. Maar dat is niet alleen een kwestie van imago en zichtbaarheid. De kinderopvang moet ook bij zichzelf te raden gaan of ze die rol ook echt kan vervullen. Dat is niet helemaal een vanzelfsprekendheid. Voor veel kinderopvangorganisaties is er dus werk aan de winkel. Juist nu.
De Tegenlicht-documentaire over de Superschool van Eric van ’t Zelfde in Rotterdam deed veel stof opwaaien bij basisscholen en voortgezet onderwijs. ’t Zelfde wil van zijn Hugo de Groot-school een Superschool maken voor leerlingen van 2 tot 18 jaar. Hij wil zelf invloed kunnen uitoefenen op wat er op de basisschool gebeurt. ‘De taal- en andere achterstanden zijn zo groot dat mijn school daar de dupe van is’, zegt hij in de Volkskrant (1 oktober) naar aanleiding van de documentaire. Basisschooldirecteuren natuurlijk in de gordijnen.
De kinderopvang heb ik in het debat echter niet gehoord. Terwijl ’t Zelfde ook plannen heeft met de twee- en driejarigen, want hij heeft het niet over 4 tot 18, maar over 2 tot 18. Citaat uit hetzelfde Volkskrant-artikel: ‘Tussen 0 en 5 jaar leert een kind het meest wat hij ooit zal leren: praten, wat liefde is, en zijn geweten en taalgevoel worden gevormd. Het onderwijssysteem werkt niet in Rotterdam-Zuid, de Haagse Schilderswijk of het Utrechtse Kanaleneiland.’
Niet alleen de basisscholen azen dus op jonge kinderen, ook het voortgezet onderwijs wordt een concurrent van de kinderopvang. ‘Laat crème de la crème het onderwijs verzorgen’ kopt een opinieartikel van ’t Zelfde een dag eerder in dezelfde krant (30 september).
Wie is de crème de la crème voor de voorschoolse periode? Althans wie zou dat moeten zijn? Precies. Gelukkig weten de verschillende partijen die zich met opvoeding en onderwijs bezighouden elkaar steeds beter te vinden. Zie de gezamenlijke Peuterbrief die zij uitstuurden naar minister Asscher (zie artikel elders in dit nummer). Gelukkig zien basisscholen steeds beter de waarde van de kinderopvang.
Nog meer nieuws over peuters. In een Brandpunt-reportage (29 september) op tv werden de peuter- en kleutertoetsen aan de kaak gesteld. Te veel een momentopname, te zeer gedomineerd door een commercieel toetsbedrijf. Lees ook het onthullende artikel in Didactief (september 2013) over vermenging van de publieke en private poot van het Cito.
Ook in de peutertoetsdiscussie mis je de expertise van de kinderopvang. Wie kan de ontwikkeling van kinderen stimuleren zonder in een schools systeem te vervallen? Althans wie zou dat moeten kunnen? Precies.
De voorschoolse periode wordt in de maatschappelijke discussie steeds belangrijker. De kinderopvang moet een belangrijke speler zijn in die discussie. Maar dat is niet alleen een kwestie van imago en zichtbaarheid. De kinderopvang moet ook bij zichzelf te raden gaan of ze die rol ook echt kan vervullen. Dat is niet helemaal een vanzelfsprekendheid. Voor veel kinderopvangorganisaties is er dus werk aan de winkel. Juist nu.
donderdag 24 oktober 2013
Drie halen twee betalen
in Mangement Kinderopvang 10, 2013
Een overzicht van het rijtje nieuwsberichten over de kinderopvang leest als een faillissementsoverzicht van de Kamer van Koophandel. Kinderopvang X sluit deuren; Kinderopvang Y diep in de schulden; Kinderopvang Z redt het niet.
Daar tussendoor staat nieuws dat evenmin opwekkend is, namelijk acties van kinderopvangorganisaties om nieuwe klanten te werven. Een half jaar gratis luiers bij Kinderopvang A, een dagje Efteling bij Kinderopvang B, de eerste drie maanden gratis bij Kinderopvang C, een extra laag uurtarief bij Kinderopvang D, één opvangdag per week gratis bij Kinderopvang E, inleg op de spaarrekening van uw kind bij Kinderopvang F en ga zo maar door. Je kunt er het alfabet mee vol maken.
Ik word daar niet vrolijk van. BOinK waarschuwt al voor problemen met de Belastingdienst bij gratis-kinderopvangacties. Maar los daarvan, waarom zou je kinderopvang verkopen als ware het een pak wasmiddel in de supermarkt? Ooit een basisschool gezien die op deze manier nieuwe leerlingen werft? Een basisschool wil gekozen worden om waar ze voor staat, om wat ze uitstraalt, om haar lesprogramma, haar aantrekkelijke schoolgebouw, de capabele juf, de hartelijke ontvangst.
Makkelijk praten, zegt u, want wie moet er aan het eind van de maand een groep sluiten omdat er onvoldoende aanwas is? Bovendien betalen ouders onderwijs niet uit eigen zak. Toch zitten veel scholen in hetzelfde schuitje. Zeventig vierjarigen te verdelen over vijf scholen in het dorp? Ook hier is het een kwestie van binnenhalen of groepen sluiten.
Ouders zijn bij hun keuze voor een basisschool niet te lijmen met geld. Ze betalen het onderwijs niet zelf. Maar waarom denken wij dat geld wel een doorslaggevende rol speelt in de kinderopvang?
Ik geloof daar niet in. Bij veel tweeverdieners zit hun tweejarige achter de iPad, hun zesjarige heeft een eigen iPhone. Ouders brengen ze heen en terug naar paardrijles. Ze rijden dagelijks kilometers om voor de beste school. Betalen gitaarles en hockey.
Zelfs de actie van Stichting Kinderopvang Leeuwarden, met maar liefst een jaar lang gratis opvang, levert niet veel op, zo meldt het Friesch Dagblad. ‘Nog maar weinig ouders maken hiervan gebruik.’ En dat is dan ook nog bedoeld voor de lage-inkomensgroep.
En als ouders wel voor de aanbieding vallen, dan is er morgen misschien wel weer een nieuwe aanbieding, van een andere organisatie.
Bekend is dat bij prijzenoorlogen alleen de consument wint. De kinderopvang wordt er niet alleen nauwelijks beter van, maar verliest ook zijn imago. Hoezo is de kinderopvang een partij als het gaat om achterstanden te helpen voorkomen. Zoals wethouder Hilhorst in Amsterdam wil. De kinderopvang: dat is toch drie halen twee betalen?
Taal is echt mijn ding
in eigenWijs, nr. 40
Na mijn middelbare school ging ik Nederlands studeren. ‘Nederlands? Dat kun je toch al?’ Mijn studiekeus zorgde bij veel mensen voor verbazing. Is dat terecht? Nederlands, kunnen we dat al?
Dat blijkt niet uit wat je om je heen hoort en leest. Mijn taalvaardige dochters zijn in een levensfase dat ze lol hebben in het corrigeren van ieders taalfouten. En dat zijn er nogal wat. Ook bij mijzelf. ‘Oei mam, jij hebt Nederlands gestudeerd en jij zegt: de aanrecht. Het is het aanrecht.’ Ze gaan niet akkoord met mijn antwoord dat dat ‘gewestelijk’ (ofwel Brabants) is en dat dat best mag in gesproken taal. In familiekring althans.
De meeste kinderen zijn niet zoals die van mij. Zij wijzen hun ouders niet op taalfouten. En andersom kunnen zelfs veel ouders hun kinderen niet corrigeren. In Amsterdam heeft de helft van de 6300 peuters (2,5 tot 4 jaar) een taalachterstand, zo meldt de Volkskrant. Daarom wil de gemeente Amsterdam een voorschoolse voorziening oprichten waar alle kinderen vanaf 2,5 jaar naar toe gaan.
Taal is het allerbelangrijkste onderdeel van voorschoolse programma’s, in heel Nederland. Wie komt er in aanmerking voor zo’n voorschool? Alle kinderen van wie de ouders niet meer dan een vmbo-opleiding hebben, krijgen een VVE-indicatie van het consultatiebureau.
Dat vraagt dus wat van de taalvaardigheid van pedagogisch medewerkers. Zijn zij tijdens hun mbo-opleiding en VVE-nascholing voldoende taalbewust geworden? Onderzoekers van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) zagen dat het niveau van studenten enorm verschilt. Dat het erg afhankelijk is van de persoon. Niet van de school, niet van de organisatie waar ze stage liepen of werkten. Pedagogisch medewerkers kunnen kortom zelf veel bijdragen aan hun eigen ontwikkeling. Móeten zelf bijdragen aan hun eigen ontwikkeling.
Het nieuwe NCKO-rapport naar kwaliteit van de kinderopvang bevat een klein onderzoekje naar de woordenschat van pedagogisch medewerkers. Een grotere woordenschat betekent een hogere score op het onderdeel ‘Praten en uitleggen’. Dat is natuurlijk geen grote verrassing. Dat betekent wel dat er aan die woordenschat gewerkt moet worden.
Dat werken begint met bewustzijn van taal. Met lezen. Leg weg die iPad, zet uit die TV. Lees deze eigenWijs, van kaft tot kaft. Lees boeken en kranten. Zodat je kunt zeggen: ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’. Zo heet het populaire boek van Paulien Cornelissen. Het gaat niet over hoe mensen met elkaar moeten praten, maar hoe ze dat per ongeluk doen. Over modieuze uitdrukkingen, over wat mensen zeggen en wat ze bedoelen. Het stond wekenlang in de top 10 en is aan de 32e druk toe. Dat dan weer wel. Veel mensen vinden lezen over taal leuk. Bij pedagogisch medewerkers hoort het bij hun vak.
Kinderopvang bashen
in Management Kinderopvang 9, 2013
Op IJburg verdrinkt een vijfjarig jongetje. Onder de ogen van twintig kinderen van kinderdagverblijf Jungle Jane. Toch niet een kind ván dat kinderdagverblijf, denk je onmiddellijk als krantenlezer die de kinderopvang een warm hart toedraag.
Gelukkig was niet het geval. Negatieve publiciteit kan de kinderopvang niet meer hebben. Kinderopvang bashen is toch al nationale volkssport geworden. Zo ging Sylvia Witteman als buurvrouw van een kinderdagverblijf in haar Volkskrant-column (25-7) te keer tegen het kinderdagverblijf grenzend aan haar achtertuin. Leidsters zingen machinaal liedjes om het huilen te overstemmen. ‘De weggebrachte kinderen huilen, en niet zo’n beetje ook. Hard en wanhopig. (…) Als alle ouders vertrokken zijn, houdt het zingen onmiddellijk op. Maar het huilen niet. Dat komt en gaat, de hele dag door.’ En verderop: De leidster schreeuwen de hele dag NIET DOEN tegen de kinderen. En de ouders hebben haast. ‘Logisch voor 7,30 euro per uur. Ze rennen de tuin in en duwen hun kind ‘in de fluwelen houdgreep’ van een leidster en maken zich uit de voeten.
Het is het relaas van een geïrriteerde buurvrouw. Grappig opgeschreven, dat wel. Maar buren zijn altijd geïrriteerd. Op het kinderdagverblijf waar mijn kinderen zaten, klaagden ze ook over de liedjes, over piepende fietsjes, over geparkeerde auto’s. Een verzoenende gesprek leverde niets op. Moeders moeten gewoon thuisblijven, vonden de buren. Net als Sylvia Witteman. Die voelt zich met terugwerkende kracht schuldig dat haar kinderen indertijd ook naar een kinderdagverblijf gingen.
De moeder heeft veel uit te leggen, schreef Sanne van Oosten, werkzaam bij Women.Inc, dezelfde dag in dezelfde krant. Tijdens de tweede feministisch golf pleitten vrouwen voor keuzevrijheid. Inmiddels is die keuzevrijheid er, zegt Van Oosten, ‘maar lijkt nu meer op Sophie’s Choice: damned if you do, damned if jouy don’t.’ Of het nu gaat over thuis bevallen of in het ziekenhuis, borstvoeding of de fles, werken of niet werken, kinderopvang of niet. En hoeveel dagen dan? Iedereen heeft er een ferme mening over, meent Van Oosten. ‘Als het onduidelijk is welke keuze het best is, zal elke nieuwe ouder zijn of haar eigen keuze met hand en tand blijven verdedigen. Niemand wil dat anderen denken dat zij niet het beste met hun kind voor hebben. Want dat steekt. Wie je ook bent en wat je ook doet.’
Ja, maar het moet maar eens gezegd worden dat de kinderopvang beter kan. Dat vinden criticasters als Ewoud Poerink en Marilse Eerkens. Ze denken dat ze de knuppel in het hoenderhok gooien. Maar hoe terecht hun kritiek misschien ook is, het effect is kinderoKinderopvang bashen
Op IJburg verdrinkt een vijfjarig jongetje. Onder de ogen van twintig kinderen van kinderdagverblijf Jungle Jane. Toch niet een kind ván dat kinderdagverblijf, denk je onmiddellijk als krantenlezer die de kinderopvang een warm hart toedraag.
Gelukkig was niet het geval. Negatieve publiciteit kan de kinderopvang niet meer hebben. Kinderopvang bashen is toch al nationale volkssport geworden. Zo ging Sylvia Witteman als buurvrouw van een kinderdagverblijf in haar Volkskrant-column (25-7) te keer tegen het kinderdagverblijf grenzend aan haar achtertuin. Leidsters zingen machinaal liedjes om het huilen te overstemmen. ‘De weggebrachte kinderen huilen, en niet zo’n beetje ook. Hard en wanhopig. (…) Als alle ouders vertrokken zijn, houdt het zingen onmiddellijk op. Maar het huilen niet. Dat komt en gaat, de hele dag door.’ En verderop: De leidster schreeuwen de hele dag NIET DOEN tegen de kinderen. En de ouders hebben haast. ‘Logisch voor 7,30 euro per uur. Ze rennen de tuin in en duwen hun kind ‘in de fluwelen houdgreep’ van een leidster en maken zich uit de voeten.
Het is het relaas van een geïrriteerde buurvrouw. Grappig opgeschreven, dat wel. Maar buren zijn altijd geïrriteerd. Op het kinderdagverblijf waar mijn kinderen zaten, klaagden ze ook over de liedjes, over piepende fietsjes, over geparkeerde auto’s. Een verzoenende gesprek leverde niets op. Moeders moeten gewoon thuisblijven, vonden de buren. Net als Sylvia Witteman. Die voelt zich met terugwerkende kracht schuldig dat haar kinderen indertijd ook naar een kinderdagverblijf gingen.
De moeder heeft veel uit te leggen, schreef Sanne van Oosten, werkzaam bij Women.Inc, dezelfde dag in dezelfde krant. Tijdens de tweede feministisch golf pleitten vrouwen voor keuzevrijheid. Inmiddels is die keuzevrijheid er, zegt Van Oosten, ‘maar lijkt nu meer op Sophie’s Choice: damned if you do, damned if jouy don’t.’ Of het nu gaat over thuis bevallen of in het ziekenhuis, borstvoeding of de fles, werken of niet werken, kinderopvang of niet. En hoeveel dagen dan? Iedereen heeft er een ferme mening over, meent Van Oosten. ‘Als het onduidelijk is welke keuze het best is, zal elke nieuwe ouder zijn of haar eigen keuze met hand en tand blijven verdedigen. Niemand wil dat anderen denken dat zij niet het beste met hun kind voor hebben. Want dat steekt. Wie je ook bent en wat je ook doet.’
Ja, maar het moet maar eens gezegd worden dat de kinderopvang beter kan. Dat vinden criticasters als Ewoud Poerink en Marilse Eerkens. Ze denken dat ze de knuppel in het hoenderhok gooien. Maar hoe terecht hun kritiek misschien ook is, het effect is kinderopvang bashen en dus moeders bashen en dus moeders een schuldgevoel aanpraten. Van Oosten heeft gelijk: ‘Het persoonlijke is politiek geworden, compleet met pleitbezorgers, stakeholders en belangengroepen. En deze maken de keuze complexer dan ooit.’
Op IJburg verdrinkt een vijfjarig jongetje. Onder de ogen van twintig kinderen van kinderdagverblijf Jungle Jane. Toch niet een kind ván dat kinderdagverblijf, denk je onmiddellijk als krantenlezer die de kinderopvang een warm hart toedraag.
Gelukkig was niet het geval. Negatieve publiciteit kan de kinderopvang niet meer hebben. Kinderopvang bashen is toch al nationale volkssport geworden. Zo ging Sylvia Witteman als buurvrouw van een kinderdagverblijf in haar Volkskrant-column (25-7) te keer tegen het kinderdagverblijf grenzend aan haar achtertuin. Leidsters zingen machinaal liedjes om het huilen te overstemmen. ‘De weggebrachte kinderen huilen, en niet zo’n beetje ook. Hard en wanhopig. (…) Als alle ouders vertrokken zijn, houdt het zingen onmiddellijk op. Maar het huilen niet. Dat komt en gaat, de hele dag door.’ En verderop: De leidster schreeuwen de hele dag NIET DOEN tegen de kinderen. En de ouders hebben haast. ‘Logisch voor 7,30 euro per uur. Ze rennen de tuin in en duwen hun kind ‘in de fluwelen houdgreep’ van een leidster en maken zich uit de voeten.
Het is het relaas van een geïrriteerde buurvrouw. Grappig opgeschreven, dat wel. Maar buren zijn altijd geïrriteerd. Op het kinderdagverblijf waar mijn kinderen zaten, klaagden ze ook over de liedjes, over piepende fietsjes, over geparkeerde auto’s. Een verzoenende gesprek leverde niets op. Moeders moeten gewoon thuisblijven, vonden de buren. Net als Sylvia Witteman. Die voelt zich met terugwerkende kracht schuldig dat haar kinderen indertijd ook naar een kinderdagverblijf gingen.
De moeder heeft veel uit te leggen, schreef Sanne van Oosten, werkzaam bij Women.Inc, dezelfde dag in dezelfde krant. Tijdens de tweede feministisch golf pleitten vrouwen voor keuzevrijheid. Inmiddels is die keuzevrijheid er, zegt Van Oosten, ‘maar lijkt nu meer op Sophie’s Choice: damned if you do, damned if jouy don’t.’ Of het nu gaat over thuis bevallen of in het ziekenhuis, borstvoeding of de fles, werken of niet werken, kinderopvang of niet. En hoeveel dagen dan? Iedereen heeft er een ferme mening over, meent Van Oosten. ‘Als het onduidelijk is welke keuze het best is, zal elke nieuwe ouder zijn of haar eigen keuze met hand en tand blijven verdedigen. Niemand wil dat anderen denken dat zij niet het beste met hun kind voor hebben. Want dat steekt. Wie je ook bent en wat je ook doet.’
Ja, maar het moet maar eens gezegd worden dat de kinderopvang beter kan. Dat vinden criticasters als Ewoud Poerink en Marilse Eerkens. Ze denken dat ze de knuppel in het hoenderhok gooien. Maar hoe terecht hun kritiek misschien ook is, het effect is kinderoKinderopvang bashen
Op IJburg verdrinkt een vijfjarig jongetje. Onder de ogen van twintig kinderen van kinderdagverblijf Jungle Jane. Toch niet een kind ván dat kinderdagverblijf, denk je onmiddellijk als krantenlezer die de kinderopvang een warm hart toedraag.
Gelukkig was niet het geval. Negatieve publiciteit kan de kinderopvang niet meer hebben. Kinderopvang bashen is toch al nationale volkssport geworden. Zo ging Sylvia Witteman als buurvrouw van een kinderdagverblijf in haar Volkskrant-column (25-7) te keer tegen het kinderdagverblijf grenzend aan haar achtertuin. Leidsters zingen machinaal liedjes om het huilen te overstemmen. ‘De weggebrachte kinderen huilen, en niet zo’n beetje ook. Hard en wanhopig. (…) Als alle ouders vertrokken zijn, houdt het zingen onmiddellijk op. Maar het huilen niet. Dat komt en gaat, de hele dag door.’ En verderop: De leidster schreeuwen de hele dag NIET DOEN tegen de kinderen. En de ouders hebben haast. ‘Logisch voor 7,30 euro per uur. Ze rennen de tuin in en duwen hun kind ‘in de fluwelen houdgreep’ van een leidster en maken zich uit de voeten.
Het is het relaas van een geïrriteerde buurvrouw. Grappig opgeschreven, dat wel. Maar buren zijn altijd geïrriteerd. Op het kinderdagverblijf waar mijn kinderen zaten, klaagden ze ook over de liedjes, over piepende fietsjes, over geparkeerde auto’s. Een verzoenende gesprek leverde niets op. Moeders moeten gewoon thuisblijven, vonden de buren. Net als Sylvia Witteman. Die voelt zich met terugwerkende kracht schuldig dat haar kinderen indertijd ook naar een kinderdagverblijf gingen.
De moeder heeft veel uit te leggen, schreef Sanne van Oosten, werkzaam bij Women.Inc, dezelfde dag in dezelfde krant. Tijdens de tweede feministisch golf pleitten vrouwen voor keuzevrijheid. Inmiddels is die keuzevrijheid er, zegt Van Oosten, ‘maar lijkt nu meer op Sophie’s Choice: damned if you do, damned if jouy don’t.’ Of het nu gaat over thuis bevallen of in het ziekenhuis, borstvoeding of de fles, werken of niet werken, kinderopvang of niet. En hoeveel dagen dan? Iedereen heeft er een ferme mening over, meent Van Oosten. ‘Als het onduidelijk is welke keuze het best is, zal elke nieuwe ouder zijn of haar eigen keuze met hand en tand blijven verdedigen. Niemand wil dat anderen denken dat zij niet het beste met hun kind voor hebben. Want dat steekt. Wie je ook bent en wat je ook doet.’
Ja, maar het moet maar eens gezegd worden dat de kinderopvang beter kan. Dat vinden criticasters als Ewoud Poerink en Marilse Eerkens. Ze denken dat ze de knuppel in het hoenderhok gooien. Maar hoe terecht hun kritiek misschien ook is, het effect is kinderopvang bashen en dus moeders bashen en dus moeders een schuldgevoel aanpraten. Van Oosten heeft gelijk: ‘Het persoonlijke is politiek geworden, compleet met pleitbezorgers, stakeholders en belangengroepen. En deze maken de keuze complexer dan ooit.’
donderdag 8 augustus 2013
Stakende oma’s
Column in Management Kinderopvang 7/8 2013
Plaats van handeling: een terras in de zon. Het gezelschap is groot. De glazen wijn gaan er vlot doorheen. Twintig minuten per glas, schat ik. Per stuk toch minimaal drie euro, dus dat is negen euro per uur. Duur? Nee duur is de kinderopvang. Daar gaat het gesprek over. Ik hoor het met een half oor. Ik zit er te ver vanaf en ben met iemand anders in gesprek. Bedragen van duizenden euro’s vliegen over de tafel. Dat is net zoiets als klagen over de belastingen, denk ik dan. Betaal je heel veel, dan verdien je ook heel veel. Wat ik ervan meekrijg, is dat de moeder in kwestie haar twee kinderen inmiddels van de opvang heeft afgehaald. Voortaan passen de beide oma’s op.
Kinderopvang is duur; oma is goedkoop of gratis. De horeca is duur; thuis drink je voor een derde van het geld een prachtige wijn. Toch denkt op dat terras niemand: ik ga thuis drinken. Blijkbaar biedt de horeca meerwaarde, waardoor mensen die meerprijs willen betalen.
Waar ligt het aan dat thuis of liever gezegd het informele circuit in de ogen van ouders even goed is als de formele opvang? Blijkbaar is de kinderopvang nog steeds onvoldoende in staat om de meerwaarde te laten zien? Of ligt het aan het gemakkelijk beschikbare alternatief? Jammer dat oma’s zich door hun kinderen laten verleiden. Chanteren misschien wel: “Ja, maar mam, zíjn moeder doet het ook.” “Ja maar mam, je hebt het toch ook voor je andere kinderen gedaan.”
Het wordt tijd voor een staking van oma’s, vind ik. En die komt ook. We moeten alleen nog even geduld hebben. Onder de huidige generatie oma’s is de arbeidsparticipatie niet zo heel hoog (geweest). Niet zo veel oma’s hebben drukke banen gehad. En niet zo veel oma’s hadden heel grote en drukke gezinnen. Zelf moet ik er niet aan denken om straks de zorg voor de kleinkinderen te krijgen. Naast mijn werk.
Kinderopvang lijkt op dit moment weer een voorziening te worden voor hoogopgeleide kosmopolitische ouders die geen opa’s en oma’s in de buurt hebben. Voor ouders die dus geen alternatief hebben. Tenzij alle oppasopa’s en -oma’s zeggen: ‘Het is genoeg. We doen het niet meer. Brengen jullie je kinderen naar de kinderopvang. Daar hebben ze het hartstikke goed. Daar spelen ze met andere kinderen. Daar werken mensen die ervoor doorgeleerd hebben. De kinderopvang zorgt dat jullie kinderen zich veelzijdig ontwikkelen.’
Marketing is het nieuwe middel dat de kinderopvang inzet om klanten te trekken. Daarbij richt ze zich uitsluitend op ouders. Maar de grootouders zijn de nieuwe doelgroep.
Plaats van handeling: een terras in de zon. Het gezelschap is groot. De glazen wijn gaan er vlot doorheen. Twintig minuten per glas, schat ik. Per stuk toch minimaal drie euro, dus dat is negen euro per uur. Duur? Nee duur is de kinderopvang. Daar gaat het gesprek over. Ik hoor het met een half oor. Ik zit er te ver vanaf en ben met iemand anders in gesprek. Bedragen van duizenden euro’s vliegen over de tafel. Dat is net zoiets als klagen over de belastingen, denk ik dan. Betaal je heel veel, dan verdien je ook heel veel. Wat ik ervan meekrijg, is dat de moeder in kwestie haar twee kinderen inmiddels van de opvang heeft afgehaald. Voortaan passen de beide oma’s op.
Kinderopvang is duur; oma is goedkoop of gratis. De horeca is duur; thuis drink je voor een derde van het geld een prachtige wijn. Toch denkt op dat terras niemand: ik ga thuis drinken. Blijkbaar biedt de horeca meerwaarde, waardoor mensen die meerprijs willen betalen.
Waar ligt het aan dat thuis of liever gezegd het informele circuit in de ogen van ouders even goed is als de formele opvang? Blijkbaar is de kinderopvang nog steeds onvoldoende in staat om de meerwaarde te laten zien? Of ligt het aan het gemakkelijk beschikbare alternatief? Jammer dat oma’s zich door hun kinderen laten verleiden. Chanteren misschien wel: “Ja, maar mam, zíjn moeder doet het ook.” “Ja maar mam, je hebt het toch ook voor je andere kinderen gedaan.”
Het wordt tijd voor een staking van oma’s, vind ik. En die komt ook. We moeten alleen nog even geduld hebben. Onder de huidige generatie oma’s is de arbeidsparticipatie niet zo heel hoog (geweest). Niet zo veel oma’s hebben drukke banen gehad. En niet zo veel oma’s hadden heel grote en drukke gezinnen. Zelf moet ik er niet aan denken om straks de zorg voor de kleinkinderen te krijgen. Naast mijn werk.
Kinderopvang lijkt op dit moment weer een voorziening te worden voor hoogopgeleide kosmopolitische ouders die geen opa’s en oma’s in de buurt hebben. Voor ouders die dus geen alternatief hebben. Tenzij alle oppasopa’s en -oma’s zeggen: ‘Het is genoeg. We doen het niet meer. Brengen jullie je kinderen naar de kinderopvang. Daar hebben ze het hartstikke goed. Daar spelen ze met andere kinderen. Daar werken mensen die ervoor doorgeleerd hebben. De kinderopvang zorgt dat jullie kinderen zich veelzijdig ontwikkelen.’
Marketing is het nieuwe middel dat de kinderopvang inzet om klanten te trekken. Daarbij richt ze zich uitsluitend op ouders. Maar de grootouders zijn de nieuwe doelgroep.
Abonneren op:
Posts (Atom)