Egalitarisme of diversificatie
Column in Management Kinderopvang 5 2012
De kinderopvang zit vol idealen. Kinderopvang is er om kinderen een goede start te geven. Kinderopvang zou een basisvoorziening moeten zijn. Wie opgroeit met allerlei soorten kinderen ziet anderen niet zo gauw als anderen. Alleen vriendschappen kunnen de multiculturele samenleving redden, schreef Anil Ramdas, journalist en schrijver van Surinaamse komaf. Maar Anil Ramdas is niet meer. Hij maakte onlangs een eind aan zijn leven.
Ook de maakbare samenleving is niet meer. Onbedoelde bijeffecten van goedbedoeld beleid werken segregatie in de hand in plaats van integratie. Door succes stijgen de kosten van kinderopvang, dus moet de rem erop. Het peuterspeelzaalwerk hangt op veel plaatsen aan een zijden draadje. En de kinderopvang blijft de speelbal van maatschappelijke ideeën en politieke besluiten.
Daar komt nog bij dat niet iedereen in de kinderopvang bezield is met dezelfde idealen. Sommige ondernemers zien kinderopvang puur als een manier om geld te verdienen. Gisteren accu’s, vandaag kinderen in de lege bedrijfsruimte.
Een voordeel van welke crisis dan ook is dat je heel duidelijk teruggeworpen wordt op jezelf. Niets is meer vanzelfsprekend. Is wat jij doet wel goed, wel goed genoeg? Spreekt het ouders en kinderen aan?
Het voortgezet onderwijs heeft daar de laatste jaren een slag in gemaakt. In de concurrentiestrijd hebben middelbare scholen een steeds duidelijker profiel gekregen. Soms slaan ze daarin door en zijn ze nog alleen gericht op imago en uiterlijkheden. Soms is het goed dat er voor leerlingen in groep 8 wat te kiezen is.
Waarom zien ouders wel de meerwaarde van de ene school boven de andere en niet van de ene kinderopvangorganisatie boven de andere? De profilering in de kinderopvang is niet sterk. De weinige ouders die pedagogische beleidsplannen bekijken, zien amper verschil tussen de ene of de andere organisatie. Daar ligt dus een onontgonnen terrein.
Ouders willen het beste voor hun kinderen. En sommige ouders zijn zich daar bewuster van dan andere. Daar zou de kinderopvang van moeten kunnen profiteren. Daarbij lijkt egalitarisme niet meer het ideaal te zijn in deze samenleving en Bildung is geen vies woord meer. Sander Pleij schreef er in Vrij Nederland een mooi stuk over (31 maart jl.): een pleidooi voor schoolse en buitenschoolse Bildung. ‘De stemming aan het begin van de eenentwintigste eeuw is dat de mens er niet zomaar op los kan leven, maar dat hij een bewust leven moet “leiden”.’
Bewust levende ouders zoeken kinderopvang die aan die ideeën tegemoet komt. Die is er nog onvoldoende of die is onvoldoende zichtbaar. Maar dat gaat veranderen. Diversificatie zal dus niet langer alleen het toverwoord in het harde bedrijfsleven zijn. Mijn voorspelling is dat diversificatie ook in de kinderopvang een belangrijke rol gaat spelen.
donderdag 10 mei 2012
Meer dan een rekensom
Column in Management Kinderopvang april 2012
‘Ook maar een mening’, zo zette premier Balkenende in 2007 het rapport van de commissie Davids over de inval in Irak weg. ‘Ook maar een mening’ hebben we sindsdien heel veel gehoord. Conclusies en aanbevelingen in rapporten van deskundigen die we niet kunnen gebruiken, worden zo weggezet. Door alle partijen. Journalist Maartje Bakker analyseerde in de Volkskrant (8 maart jl.) de discussie rond passend onderwijs. Er zijn slechts inktzwarte of rooskleurige scenario’s concludeert zij. ‘De werkelijkheid is grijs, met schaduwzijde en lichtpunten. (…) Als die vandaag in de Tweede Kamer zou worden erkend, dan was het denkbaar dat er hier wat werd ingekleurd en daar wat weggegumd.’ Maar ze heeft er een hard hoofd in: voor zo’n debat zijn zwart en wit veel te ver uit elkaar komen te staan. Ook in de kinderopvang hebben de partijen hun stellingen ingenomen. Subsidie op kinderopvang levert geen extra banen op. Of juist wel. Het CPB versus onder anderen Buitenhek. Maar met cijfers win je deze bezuinigingsronde niet. Cijfers zijn ook maar een mening. Bovendien wordt de kinderopvang weer gereduceerd tot een kostenpost. Zoals Ina Brouwer in de Volkskrant concludeert: ‘Met de huidige bezuinigingen op de kinderopvang krijgen sceptische ouders bovendien het gelijk aan hun zijde. Zodra het moeilijk wordt, wordt de kinderopvang wegbezuinigd of zo duur dat je er niet tegenop kunt werken.’ Met die laatste opmerking ben ik het trouwens niet eens. Hoezo niet tegenop te werken? Thuiszitten is altijd duurder. Voor mijn tweeling betaalde ik dertien jaar geleden twee keer zevenhonderd gulden per maand netto voor een bedrijfsplaats van twee dagen. Veel geld. Ik verdiende dat in een maand nauwelijks zelf. Maar ik vond het belangrijk om aan het werk te blijven. Het zijn maar vier jaar en dan gaan ze naar de basisschool. Sinds die tijd is mijn eigen bijdrage aan de kinderopvang alleen maar minder geworden. Eerst kwam ik in het gelukkige bezit van een gesubsidieerde plaats. Daarna kwam de wet Kinderopvang en ook die pakte gunstig uit. Misschien iets te gunstig en daarvan plukken we nu de vruchten. Zolang de kinderopvang gesubsidieerd zal worden, zal ze speelbal zijn van bezuinigingen. Laten we daarover ophouden, zegt Malou van Hintum (Volkskrant 6 maart jl.): ‘Kinderopvang wordt helemaal niet te duur. Ouders die daarover zeuren zijn verwend.’ Laten we ons concentreren op de grijstinten, op waar ouders echt in de knel komen en waar ouders best wat meer kunnen betalen. Als we dan wat kunnen inkleuren en gummen dan lukt het misschien om de echte pijn eruit te halen. En van kinderopvang meer dan een rekensom te maken van plussen en minnen.
Column in Management Kinderopvang april 2012
‘Ook maar een mening’, zo zette premier Balkenende in 2007 het rapport van de commissie Davids over de inval in Irak weg. ‘Ook maar een mening’ hebben we sindsdien heel veel gehoord. Conclusies en aanbevelingen in rapporten van deskundigen die we niet kunnen gebruiken, worden zo weggezet. Door alle partijen. Journalist Maartje Bakker analyseerde in de Volkskrant (8 maart jl.) de discussie rond passend onderwijs. Er zijn slechts inktzwarte of rooskleurige scenario’s concludeert zij. ‘De werkelijkheid is grijs, met schaduwzijde en lichtpunten. (…) Als die vandaag in de Tweede Kamer zou worden erkend, dan was het denkbaar dat er hier wat werd ingekleurd en daar wat weggegumd.’ Maar ze heeft er een hard hoofd in: voor zo’n debat zijn zwart en wit veel te ver uit elkaar komen te staan. Ook in de kinderopvang hebben de partijen hun stellingen ingenomen. Subsidie op kinderopvang levert geen extra banen op. Of juist wel. Het CPB versus onder anderen Buitenhek. Maar met cijfers win je deze bezuinigingsronde niet. Cijfers zijn ook maar een mening. Bovendien wordt de kinderopvang weer gereduceerd tot een kostenpost. Zoals Ina Brouwer in de Volkskrant concludeert: ‘Met de huidige bezuinigingen op de kinderopvang krijgen sceptische ouders bovendien het gelijk aan hun zijde. Zodra het moeilijk wordt, wordt de kinderopvang wegbezuinigd of zo duur dat je er niet tegenop kunt werken.’ Met die laatste opmerking ben ik het trouwens niet eens. Hoezo niet tegenop te werken? Thuiszitten is altijd duurder. Voor mijn tweeling betaalde ik dertien jaar geleden twee keer zevenhonderd gulden per maand netto voor een bedrijfsplaats van twee dagen. Veel geld. Ik verdiende dat in een maand nauwelijks zelf. Maar ik vond het belangrijk om aan het werk te blijven. Het zijn maar vier jaar en dan gaan ze naar de basisschool. Sinds die tijd is mijn eigen bijdrage aan de kinderopvang alleen maar minder geworden. Eerst kwam ik in het gelukkige bezit van een gesubsidieerde plaats. Daarna kwam de wet Kinderopvang en ook die pakte gunstig uit. Misschien iets te gunstig en daarvan plukken we nu de vruchten. Zolang de kinderopvang gesubsidieerd zal worden, zal ze speelbal zijn van bezuinigingen. Laten we daarover ophouden, zegt Malou van Hintum (Volkskrant 6 maart jl.): ‘Kinderopvang wordt helemaal niet te duur. Ouders die daarover zeuren zijn verwend.’ Laten we ons concentreren op de grijstinten, op waar ouders echt in de knel komen en waar ouders best wat meer kunnen betalen. Als we dan wat kunnen inkleuren en gummen dan lukt het misschien om de echte pijn eruit te halen. En van kinderopvang meer dan een rekensom te maken van plussen en minnen.
Ontmoetingsplek peuterspeelzaal
Column in eigenWijs 34
Mijn dorp heeft één peuterspeelzaal. Daar treffen alle kinderen van het dorp elkaar, uit alle wijken, van alle geloven, uit alle inkomensgroepen. En niet alleen de kinderen, ook de ouders leren elkaar hier kennen. Hier raak je als moeder in gesprek met een boerin uit het buitengebied, een allochtone ouder, de slager, de bakker én de hoogleraar. Maar net als overal wordt ook bij ons de peuterspeelzaal steeds minder bezocht. Ouders die gebruikmaken van kinderopvang brengen hun kinderen meestal niet ook nog naar de peuterspeelzaal. Natuurlijk kan ook het kinderdagverblijf zo’n ontmoetingsplek zijn, waar ouders met verschillende achtergronden elkaar tegen komen. Dat was het ook. Tot er in ons dorp een tweede kinderdagverblijf opende. Heel goed voor de concurrentie. Dat houdt elkaar scherp. Goed ook voor de wachtlijsten. Het nieuwe kinderdagverblijf heeft bovendien een heel andere stijl dan het bestaande. Maar het zorgt ook voor een scheiding tussen bevolkingsgroepen. De kinderen van de schilder, de kapper en de caissière gaan nu naar het nieuwe kinderdagverblijf. De kinderen van de leraar, de verpleegkundige en de advocaat gaan naar het oude. En ze komen elkaar nauwelijks meer tegen. Want ook op de basisschool zet deze ontwikkeling zich door. Ouders kiezen een ons-soort-mensen-school. De ouders op het schoolplein bepalen dus het imago van de school. Op de middelbare school is dat nog meer een item. Gingen 12-jarigen vroeger gewoon naar de dichtstbijzijnde school, nu lopen ouders met hun groep 8-kinderen talloze open dagen af om de beste school te kiezen. Ik beken: ik deed het vorig jaar ook. In grote steden ontstaan zo witte en zwarte basisscholen; sommige middelbare scholen lopen leeg, andere kunnen de toestroom niet aan. Overal experimenteren gemeenten om dit soort ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Bijvoorbeeld met een postcodebeleid, waarbij alleen leerlingen worden toegelaten die uit het postcodegebied rond de school komen. Zo’n beleid ligt moeilijk. Wij Nederlanders zijn erg gehecht aan de vrijheid om zelf te kunnen kiezen. Zelfs in Volendam waar het schoolbestuur nog steeds uitmaakt naar welke basisschool je kind gaat, groeit langzaam het verzet tegen deze werkwijze. Maar met het verdwijnen van de ontmoetingsplekken verdwijnt er veel meer dan gemengde kindercentra en scholen. De kloof tussen lage inkomens en middeninkomens, tussen culturen wordt dieper. Er zijn geen politieke partijen meer die sociale klassen verbinden. De levensstijlen van mensen lopen te veel uiteen en de ontmoetingsplekken zijn te divers, schreef de Volkskrant. Ook de peuterspeelzaal is niet meer zo’n plek. Helaas. Want vriendschappen zijn de redding voor de wereld, schreef de onlangs overleden schrijver Anil Ramdas. Alleen vriendschappen kunnen de (multiculturele) samenleving redden.
Column in eigenWijs 34
Mijn dorp heeft één peuterspeelzaal. Daar treffen alle kinderen van het dorp elkaar, uit alle wijken, van alle geloven, uit alle inkomensgroepen. En niet alleen de kinderen, ook de ouders leren elkaar hier kennen. Hier raak je als moeder in gesprek met een boerin uit het buitengebied, een allochtone ouder, de slager, de bakker én de hoogleraar. Maar net als overal wordt ook bij ons de peuterspeelzaal steeds minder bezocht. Ouders die gebruikmaken van kinderopvang brengen hun kinderen meestal niet ook nog naar de peuterspeelzaal. Natuurlijk kan ook het kinderdagverblijf zo’n ontmoetingsplek zijn, waar ouders met verschillende achtergronden elkaar tegen komen. Dat was het ook. Tot er in ons dorp een tweede kinderdagverblijf opende. Heel goed voor de concurrentie. Dat houdt elkaar scherp. Goed ook voor de wachtlijsten. Het nieuwe kinderdagverblijf heeft bovendien een heel andere stijl dan het bestaande. Maar het zorgt ook voor een scheiding tussen bevolkingsgroepen. De kinderen van de schilder, de kapper en de caissière gaan nu naar het nieuwe kinderdagverblijf. De kinderen van de leraar, de verpleegkundige en de advocaat gaan naar het oude. En ze komen elkaar nauwelijks meer tegen. Want ook op de basisschool zet deze ontwikkeling zich door. Ouders kiezen een ons-soort-mensen-school. De ouders op het schoolplein bepalen dus het imago van de school. Op de middelbare school is dat nog meer een item. Gingen 12-jarigen vroeger gewoon naar de dichtstbijzijnde school, nu lopen ouders met hun groep 8-kinderen talloze open dagen af om de beste school te kiezen. Ik beken: ik deed het vorig jaar ook. In grote steden ontstaan zo witte en zwarte basisscholen; sommige middelbare scholen lopen leeg, andere kunnen de toestroom niet aan. Overal experimenteren gemeenten om dit soort ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Bijvoorbeeld met een postcodebeleid, waarbij alleen leerlingen worden toegelaten die uit het postcodegebied rond de school komen. Zo’n beleid ligt moeilijk. Wij Nederlanders zijn erg gehecht aan de vrijheid om zelf te kunnen kiezen. Zelfs in Volendam waar het schoolbestuur nog steeds uitmaakt naar welke basisschool je kind gaat, groeit langzaam het verzet tegen deze werkwijze. Maar met het verdwijnen van de ontmoetingsplekken verdwijnt er veel meer dan gemengde kindercentra en scholen. De kloof tussen lage inkomens en middeninkomens, tussen culturen wordt dieper. Er zijn geen politieke partijen meer die sociale klassen verbinden. De levensstijlen van mensen lopen te veel uiteen en de ontmoetingsplekken zijn te divers, schreef de Volkskrant. Ook de peuterspeelzaal is niet meer zo’n plek. Helaas. Want vriendschappen zijn de redding voor de wereld, schreef de onlangs overleden schrijver Anil Ramdas. Alleen vriendschappen kunnen de (multiculturele) samenleving redden.
donderdag 15 maart 2012
Principes zijn niet te omzeilen
Column in Management Kinderopvang, maart 2012
De kinderopvang krijgt weer een AMvB waarin de kwaliteitseisen vastgelegd zijn. De minister is door de Raad van State teruggefloten, want beleidsregels geven niet de mogelijkheid om sancties op te leggen. Wel zijn de leden van de Brancheorganisatie Kinderopvang gewoon verplicht zich aan het convenant en dus de kwaliteitseisen te houden.
Maar zijn het niet vooral de niet-leden die kwaliteitseisen aan hun laars lappen? In welke branche dan ook? De directeur van de bijna failliete woningbouwcorporatie Vestia kreeg in 2007 een bedrag van 438 duizend euro op zijn rekening gestort (Quotenet). Volgens de Telegraaf, en bevestigd door een Vestia-woordvoerder, is dat in 2011 opgelopen tot een half miljoen. En dat terwijl 95 procent van de leden van de overkoepelende branchevereniging Aedes binnen de Balkenendenorm blijft. Maar de grootste woningbouwvereniging Vestia was geen lid van Aedes. Hoe veelzeggend.
‘Niet net doen of de overheid een markt is’ stond boven een interview met hoogleraar openbaar bestuur Paul Frissen (de Volkskrant, 25 januari jl.). Zijn Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling publiceerde onlangs het rapport ‘Tegenkracht organiseren – lessen uit de kredietcrisis’.
Doen alsof de collectieve sector een markt is, zorgt voor dezelfde excessen die in de financiële wereld tot de kredietcrisis leiden, is de conclusie. Dat betekent volgens hem niet dat er meer regels moeten komen. Daar is zowel de volkshuisvesting, vanwege de Vestia-affaire, als de kinderopvang, vanwege de Raad van State-uitspraak, bang voor. Frissen is echter tegen een overdaad aan regels. ‘Komt de overheid met 22 uitzonderingscategorieën, verzint de slimme burger de 23ste waar hij zelf in valt. De overheid moet niet met regels, maar met principes komen – regels kun je omzeilen, principes niet.
Ook Volkskrant-columnist Sheila Sitalising (3 februari jl.) is sceptisch over meer regels: ‘Vervolgens gaan we een dikke laag nieuw toezicht eisen opdat zoiets nooit, nooit meer gebeure. Vervolgens gaat het gewoon weer mis, net even iets anders, op een wijze die we nu nog niet kunnen bedenken.’
Frissen noemt tal van branches waar het mis ging, omdat men het doel uit het oog verloor. Zo werd de Cito-score van middel om te kijken of leerlingen voldoende kennis hebben opgedaan en of scholen hun beste deden een doel op zich. Namelijk een zo hoog mogelijke Cito-score halen. De effectiviteit bij de politie werd niet beter toen agenten werden afgerekend op het aantal bekeuringen dat ze uitdeelde. Efficiency werd de maat. Maar het meest efficiënte gevangenisbeleid is als je alle gevangen bij binnenkomst doodschiet’, zegt Frissen. ‘Ik bedoel: de publieke sector draait om waarden en efficiency is daar maar een van.’
Laat het ook in de nieuwe AMvB gaan over waarden en principes in plaats van over vierkante meters en kapstokhaakjes.
Column in Management Kinderopvang, maart 2012
De kinderopvang krijgt weer een AMvB waarin de kwaliteitseisen vastgelegd zijn. De minister is door de Raad van State teruggefloten, want beleidsregels geven niet de mogelijkheid om sancties op te leggen. Wel zijn de leden van de Brancheorganisatie Kinderopvang gewoon verplicht zich aan het convenant en dus de kwaliteitseisen te houden.
Maar zijn het niet vooral de niet-leden die kwaliteitseisen aan hun laars lappen? In welke branche dan ook? De directeur van de bijna failliete woningbouwcorporatie Vestia kreeg in 2007 een bedrag van 438 duizend euro op zijn rekening gestort (Quotenet). Volgens de Telegraaf, en bevestigd door een Vestia-woordvoerder, is dat in 2011 opgelopen tot een half miljoen. En dat terwijl 95 procent van de leden van de overkoepelende branchevereniging Aedes binnen de Balkenendenorm blijft. Maar de grootste woningbouwvereniging Vestia was geen lid van Aedes. Hoe veelzeggend.
‘Niet net doen of de overheid een markt is’ stond boven een interview met hoogleraar openbaar bestuur Paul Frissen (de Volkskrant, 25 januari jl.). Zijn Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling publiceerde onlangs het rapport ‘Tegenkracht organiseren – lessen uit de kredietcrisis’.
Doen alsof de collectieve sector een markt is, zorgt voor dezelfde excessen die in de financiële wereld tot de kredietcrisis leiden, is de conclusie. Dat betekent volgens hem niet dat er meer regels moeten komen. Daar is zowel de volkshuisvesting, vanwege de Vestia-affaire, als de kinderopvang, vanwege de Raad van State-uitspraak, bang voor. Frissen is echter tegen een overdaad aan regels. ‘Komt de overheid met 22 uitzonderingscategorieën, verzint de slimme burger de 23ste waar hij zelf in valt. De overheid moet niet met regels, maar met principes komen – regels kun je omzeilen, principes niet.
Ook Volkskrant-columnist Sheila Sitalising (3 februari jl.) is sceptisch over meer regels: ‘Vervolgens gaan we een dikke laag nieuw toezicht eisen opdat zoiets nooit, nooit meer gebeure. Vervolgens gaat het gewoon weer mis, net even iets anders, op een wijze die we nu nog niet kunnen bedenken.’
Frissen noemt tal van branches waar het mis ging, omdat men het doel uit het oog verloor. Zo werd de Cito-score van middel om te kijken of leerlingen voldoende kennis hebben opgedaan en of scholen hun beste deden een doel op zich. Namelijk een zo hoog mogelijke Cito-score halen. De effectiviteit bij de politie werd niet beter toen agenten werden afgerekend op het aantal bekeuringen dat ze uitdeelde. Efficiency werd de maat. Maar het meest efficiënte gevangenisbeleid is als je alle gevangen bij binnenkomst doodschiet’, zegt Frissen. ‘Ik bedoel: de publieke sector draait om waarden en efficiency is daar maar een van.’
Laat het ook in de nieuwe AMvB gaan over waarden en principes in plaats van over vierkante meters en kapstokhaakjes.
Bel ons niet!
Column in Management Kinderopvang, februari 2012
‘Rectificatie AD, mooie taak voor de branchevereniging of gaan ze zich weer in zwijgen hullen?’ Stefanie Verrijp van kinderopvang Kivido uitte onlangs haar ongenoegen over de branchevereniging op twitter en werd geretweet door onder anderen Triodus-directeur Rob Vergeer. Het was midden in de eindejaarshausse aan berichten over de ‘dure kinderopvang’. In bijna ieder krantenartikel hierover kwam Gjalt Jellesma aan het woord en inderdaad hoorden we maar zelden wat van de branchevereniging. Die heeft daar wel een verklaring voor ‘De bezuinigingen die nu voorliggen hebben betrekking op de vergoeding aan ouders. Dan moeten ouders zich laten horen’, zei Mariëlle Rompa vorig jaar tegen Management Kinderopvang. Toch lijken maar weinigen dit standpunt te begrijpen. Ook mij lijkt het te formalistisch in deze hectische tijden waarin een hoop onjuistheden over de branche worden gedebiteerd.
Maar laten we de vraag omdraaien: waarom staat Gjalt Jellesma zo vaak in de krant? Omdat Jellesma altijd terugbelt. En snel, want de deadline nadert altijd. Iedere journalist heeft Jellesma’s 06-nummer in zijn Rolodex staan. Net als dat van bijvoorbeeld Louis Tavecchio of Micha de Winter. Allemaal mensen die snel reageren en bovendien ook nog goed zijn voor een stevig statement.
Bij de branchevereniging lijkt het adagium: bel ons niet, wij bellen u. En liever bellen we helemaal niet. Dat gebeurt niet alleen in deze fusietijd, bij de MOgroep was dat niet anders. En dat is niet eigen aan een belangenvereniging. Dat ligt aan de cultuur van de organisatie en aan de personen aan het roer. Belangenbehartiger in het onderwijs Sjoerd Slagter van de VO-Raad wordt namelijk wel in ieder krantenartikel over het voortgezet onderwijs geciteerd.
Niet alleen bij de branchevereniging, maar in de kinderopvang als geheel zie je deze angst voor de media. Wel twitteren maar vervolgens niet thuisgeven als een journalist belt voor nadere uitleg over die tweet. Steeds vaker krijg je als journalist ook te maken met de afscherming van medewerkers door een afdeling communicatie. Gewoon iemand bellen en daar een paar vragen aan stellen, gaat steeds minder gemakkelijk. Nou, is dat nog te begrijpen, maar die communicatiemedewerkers zijn wel vaak heel druk met hun eigen communicatieplannetjes. Zo druk dat ze vergeten dat communicatie en marketing voor een groot deel bestaan uit reageren op wat zich voordoet. Beelden recht zetten die krom zijn; journalisten sturen die hun verhaal zonder jou ook maken, maar dan misschien wat minder gunstig voor je organisatie. Het is niet zo dat als je je heel stil houdt de storm wel overwaait.
Communicatie is meer dan zenden als het jou uitkomt. Wil Mariëlle Rompa haar 06-nummer niet openbaar maken, laat dan dat van de voorlichter wijd en zijt bekend zijn. En laat hem of haar terugbellen. En snel.
Column in Management Kinderopvang, februari 2012
‘Rectificatie AD, mooie taak voor de branchevereniging of gaan ze zich weer in zwijgen hullen?’ Stefanie Verrijp van kinderopvang Kivido uitte onlangs haar ongenoegen over de branchevereniging op twitter en werd geretweet door onder anderen Triodus-directeur Rob Vergeer. Het was midden in de eindejaarshausse aan berichten over de ‘dure kinderopvang’. In bijna ieder krantenartikel hierover kwam Gjalt Jellesma aan het woord en inderdaad hoorden we maar zelden wat van de branchevereniging. Die heeft daar wel een verklaring voor ‘De bezuinigingen die nu voorliggen hebben betrekking op de vergoeding aan ouders. Dan moeten ouders zich laten horen’, zei Mariëlle Rompa vorig jaar tegen Management Kinderopvang. Toch lijken maar weinigen dit standpunt te begrijpen. Ook mij lijkt het te formalistisch in deze hectische tijden waarin een hoop onjuistheden over de branche worden gedebiteerd.
Maar laten we de vraag omdraaien: waarom staat Gjalt Jellesma zo vaak in de krant? Omdat Jellesma altijd terugbelt. En snel, want de deadline nadert altijd. Iedere journalist heeft Jellesma’s 06-nummer in zijn Rolodex staan. Net als dat van bijvoorbeeld Louis Tavecchio of Micha de Winter. Allemaal mensen die snel reageren en bovendien ook nog goed zijn voor een stevig statement.
Bij de branchevereniging lijkt het adagium: bel ons niet, wij bellen u. En liever bellen we helemaal niet. Dat gebeurt niet alleen in deze fusietijd, bij de MOgroep was dat niet anders. En dat is niet eigen aan een belangenvereniging. Dat ligt aan de cultuur van de organisatie en aan de personen aan het roer. Belangenbehartiger in het onderwijs Sjoerd Slagter van de VO-Raad wordt namelijk wel in ieder krantenartikel over het voortgezet onderwijs geciteerd.
Niet alleen bij de branchevereniging, maar in de kinderopvang als geheel zie je deze angst voor de media. Wel twitteren maar vervolgens niet thuisgeven als een journalist belt voor nadere uitleg over die tweet. Steeds vaker krijg je als journalist ook te maken met de afscherming van medewerkers door een afdeling communicatie. Gewoon iemand bellen en daar een paar vragen aan stellen, gaat steeds minder gemakkelijk. Nou, is dat nog te begrijpen, maar die communicatiemedewerkers zijn wel vaak heel druk met hun eigen communicatieplannetjes. Zo druk dat ze vergeten dat communicatie en marketing voor een groot deel bestaan uit reageren op wat zich voordoet. Beelden recht zetten die krom zijn; journalisten sturen die hun verhaal zonder jou ook maken, maar dan misschien wat minder gunstig voor je organisatie. Het is niet zo dat als je je heel stil houdt de storm wel overwaait.
Communicatie is meer dan zenden als het jou uitkomt. Wil Mariëlle Rompa haar 06-nummer niet openbaar maken, laat dan dat van de voorlichter wijd en zijt bekend zijn. En laat hem of haar terugbellen. En snel.
dinsdag 7 februari 2012
Een 10 voor iedereen
Column in Management Kinderopvang, januari 2012
Amsterdam presenteerde vorige maand de Kwaliteitswijzer voor het Amsterdamse basisonderwijs. Een mooi initiatief van wethouder Lodewijk Asscher dat dit jaar navolging krijgt in de Amsterdamse kinderopvang. Wat me bij het doorkijken van de resultaten van de basisscholen opviel, is dat op zo’n groot aantal scholen zo’n groot percentage leerlingen een havo-vwo-advies krijgt. Niet alleen op de centrumscholen, met hoogopgeleide ouders, maar ook in wijken als Amsterdam-Noord en Amsterdam-Zuidoost. Slechts een enkele school zakt door de ondergrens van 25 procent die Amsterdam stelt voor het aantal havo/vwo-verwijzingen.
Klopt dat wel, vroeg ik me af en ging op onderzoek uit. Wat blijkt: het aantal leerlingen met een havo/vwo-advies is in Amsterdam gestegen van 46 procent in 2006, naar 54 procent in 2011. Meer dan de helft van de leerlingen in de grootste stad van Nederland, met veel migranten, gaat dus naar havo of vwo! Met terugwerkende kracht vond ik de discussie over ouderbetrokkenheid van minister Van Bijsterveld gênant. Laten we Nederland redden door elke avond voor te lezen en te controleren of onze kinderen hun huiswerk hebben gemaakt. Laten we onze 2-jarigen naar school sturen om ze al vroeg bij de les te houden. Want anders gaat het helemaal mis met ze, helemaal mis met Nederland.
Natuurlijk zijn er schooluitvallers. Natuurlijk zijn er leerlingen met achterstanden. Natuurlijk zijn er nog steeds kinderen die voor een dubbeltje geboren zijn en geen kwartje kunnen worden, die al heel jong een achterstand oplopen. En natuurlijk moeten we daar wat aan doen. Maar de minister, Harm Beertema van de PVV, wethouders in de grote steden, Beter Onderwijs Nederland en noem nog maar een aantal partijen op willen ons doen geloven dat het Nederlandse onderwijs in een deplorabele staat verkeert.
Daar hebben ze gelijk in als we geloven dat iedereen tienen kan en moet halen. Inderdaad, we zakken een beetje op de internationale lijstjes. Inderdaad het Nederlands van onze scholieren en studenten laat te wensen over. Maar daar tegenover staat dat zij weer dingen kunnen die wij niet kunnen.
Wat is er mis met de zesjescultuur: we kunnen toch niet allemaal excelleren, vroegen twee jonge afgestudeerden zich onlangs in NRC Handelsblad af. Ze wonnen er de eerste prijs mee in een essaywedstrijd. Ze waren beiden bovendien zojuist cum laude afgestudeerd. Over zesjescultuur gesproken.
Maar ze hebben gelijk. Een 10 was ooit voor de meester. Nu menen we dat ook leerlingen tienen moeten halen, alle leerlingen. Als je maar goed je best doet, is niets onmogelijk. En als je ouders maar goed hun best doen.
Column in Management Kinderopvang, januari 2012
Amsterdam presenteerde vorige maand de Kwaliteitswijzer voor het Amsterdamse basisonderwijs. Een mooi initiatief van wethouder Lodewijk Asscher dat dit jaar navolging krijgt in de Amsterdamse kinderopvang. Wat me bij het doorkijken van de resultaten van de basisscholen opviel, is dat op zo’n groot aantal scholen zo’n groot percentage leerlingen een havo-vwo-advies krijgt. Niet alleen op de centrumscholen, met hoogopgeleide ouders, maar ook in wijken als Amsterdam-Noord en Amsterdam-Zuidoost. Slechts een enkele school zakt door de ondergrens van 25 procent die Amsterdam stelt voor het aantal havo/vwo-verwijzingen.
Klopt dat wel, vroeg ik me af en ging op onderzoek uit. Wat blijkt: het aantal leerlingen met een havo/vwo-advies is in Amsterdam gestegen van 46 procent in 2006, naar 54 procent in 2011. Meer dan de helft van de leerlingen in de grootste stad van Nederland, met veel migranten, gaat dus naar havo of vwo! Met terugwerkende kracht vond ik de discussie over ouderbetrokkenheid van minister Van Bijsterveld gênant. Laten we Nederland redden door elke avond voor te lezen en te controleren of onze kinderen hun huiswerk hebben gemaakt. Laten we onze 2-jarigen naar school sturen om ze al vroeg bij de les te houden. Want anders gaat het helemaal mis met ze, helemaal mis met Nederland.
Natuurlijk zijn er schooluitvallers. Natuurlijk zijn er leerlingen met achterstanden. Natuurlijk zijn er nog steeds kinderen die voor een dubbeltje geboren zijn en geen kwartje kunnen worden, die al heel jong een achterstand oplopen. En natuurlijk moeten we daar wat aan doen. Maar de minister, Harm Beertema van de PVV, wethouders in de grote steden, Beter Onderwijs Nederland en noem nog maar een aantal partijen op willen ons doen geloven dat het Nederlandse onderwijs in een deplorabele staat verkeert.
Daar hebben ze gelijk in als we geloven dat iedereen tienen kan en moet halen. Inderdaad, we zakken een beetje op de internationale lijstjes. Inderdaad het Nederlands van onze scholieren en studenten laat te wensen over. Maar daar tegenover staat dat zij weer dingen kunnen die wij niet kunnen.
Wat is er mis met de zesjescultuur: we kunnen toch niet allemaal excelleren, vroegen twee jonge afgestudeerden zich onlangs in NRC Handelsblad af. Ze wonnen er de eerste prijs mee in een essaywedstrijd. Ze waren beiden bovendien zojuist cum laude afgestudeerd. Over zesjescultuur gesproken.
Maar ze hebben gelijk. Een 10 was ooit voor de meester. Nu menen we dat ook leerlingen tienen moeten halen, alle leerlingen. Als je maar goed je best doet, is niets onmogelijk. En als je ouders maar goed hun best doen.
dinsdag 10 januari 2012
Einde van de manager
Column in MonnickendamPlus, december 2011
Niemand zou raar opkijken als ik naakt in mijn scootmobiel door het winkelcentrum reed’, zegt een jonge vrouw met multiple sclerose (MS) in NRC Handelsblad (26 november jl.). Waarom niet? Half Amsterdam-Zuidoost heeft haar namelijk al ooit onder de douche gezet. Zo groot is het personeelsverloop onder de organisaties die haar verzorgen. Niet MS, maar zorgstress is wat haar verlamt, zegt ze zelf. ‘Zorgindustrie is Kafka in de polder’ kopt de krant dan ook. De vrouw doet haar verhaal in de rubriek ‘Het laatste woord’. Daarin vertellen terminale patiënten over hun levenseinde. De vrouw gunt ons een blik in een wereld van WAO, WMO, CIZ, CAK, WTCG, CER, PGB-VP, PGB-PV en alle andere afkortingen waar de zorg zo dol op is. Niet alleen is de zorg vreselijk ingewikkeld, haar zorg is ook vreselijk anoniem. Ze twittert erover en krijgt erg veel reacties: ‘ook van mensen die in dezelfde ellende zitten als ik.’
Zo iemand ‘in dezelfde ellende’ komt voor in de nieuwe film ‘Alles van Waarde’ van regisseur en streekgenoot Frans Bromet. De film ging in première tijdens het IDFA-filmfestival en komt volgend jaar in de bioscoop en op tv. Bromet doet in de film verslag van wat hij noemt de managerscultuur. Hij volgt een verpleegkundige en brengt mooi in beeld hoe haar werk veranderd is. Volgens Bromet door toedoen van de managers. Niet langer verpleegt ze mensen, maar ze levert producten: wijkverpleging is product 12, verzorging product 20. En bij ieder product staat een bepaalde tijd. Minuten wel te verstaan, geen kwartieren of halfuren. Met een stopwatch in haar zak gaat de wijkverpleegkundige door de dag.
Maar er is hoop voor Frans Bromet. ‘De laatste manager’ heet het boek van Ben Kuiken (2010) waarin hij het vertrek van de laatste manager aankondigt. Kuiken is journalist en werkte jarenlang bij Management Team (!). Medewerkers kunnen hun werk prima zelf organiseren, schrijft hij. Zijn grote voorbeeld is Buurtzorg.
Buurtzorg is een Nederlands concept en bestaat sinds 2007. Zo’n 4000 verpleegkundigen en ziekenverzorgenden werken onder de naam Buurtzorg, in 380 teams door heel Nederland. De teams zijn zelf verantwoordelijk voor personeel, organisatie en financiën. Daardoor kan de organisatie werken zonder tussenlaag van managers.
Buurtzorg verovert de wereld, meldde de media de afgelopen weken. Te beginnen in Zweden. Daar ging Buurtzorg op 1 december van start. België, Japan en de Verenigde Staten hebben belangstelling. Het einde van de manager is in zicht. Politiek Den Haag helpt eraan mee. Managers moeten een dag voor de klas, aldus een recente motie van de SP.
Column in MonnickendamPlus, december 2011
Niemand zou raar opkijken als ik naakt in mijn scootmobiel door het winkelcentrum reed’, zegt een jonge vrouw met multiple sclerose (MS) in NRC Handelsblad (26 november jl.). Waarom niet? Half Amsterdam-Zuidoost heeft haar namelijk al ooit onder de douche gezet. Zo groot is het personeelsverloop onder de organisaties die haar verzorgen. Niet MS, maar zorgstress is wat haar verlamt, zegt ze zelf. ‘Zorgindustrie is Kafka in de polder’ kopt de krant dan ook. De vrouw doet haar verhaal in de rubriek ‘Het laatste woord’. Daarin vertellen terminale patiënten over hun levenseinde. De vrouw gunt ons een blik in een wereld van WAO, WMO, CIZ, CAK, WTCG, CER, PGB-VP, PGB-PV en alle andere afkortingen waar de zorg zo dol op is. Niet alleen is de zorg vreselijk ingewikkeld, haar zorg is ook vreselijk anoniem. Ze twittert erover en krijgt erg veel reacties: ‘ook van mensen die in dezelfde ellende zitten als ik.’
Zo iemand ‘in dezelfde ellende’ komt voor in de nieuwe film ‘Alles van Waarde’ van regisseur en streekgenoot Frans Bromet. De film ging in première tijdens het IDFA-filmfestival en komt volgend jaar in de bioscoop en op tv. Bromet doet in de film verslag van wat hij noemt de managerscultuur. Hij volgt een verpleegkundige en brengt mooi in beeld hoe haar werk veranderd is. Volgens Bromet door toedoen van de managers. Niet langer verpleegt ze mensen, maar ze levert producten: wijkverpleging is product 12, verzorging product 20. En bij ieder product staat een bepaalde tijd. Minuten wel te verstaan, geen kwartieren of halfuren. Met een stopwatch in haar zak gaat de wijkverpleegkundige door de dag.
Maar er is hoop voor Frans Bromet. ‘De laatste manager’ heet het boek van Ben Kuiken (2010) waarin hij het vertrek van de laatste manager aankondigt. Kuiken is journalist en werkte jarenlang bij Management Team (!). Medewerkers kunnen hun werk prima zelf organiseren, schrijft hij. Zijn grote voorbeeld is Buurtzorg.
Buurtzorg is een Nederlands concept en bestaat sinds 2007. Zo’n 4000 verpleegkundigen en ziekenverzorgenden werken onder de naam Buurtzorg, in 380 teams door heel Nederland. De teams zijn zelf verantwoordelijk voor personeel, organisatie en financiën. Daardoor kan de organisatie werken zonder tussenlaag van managers.
Buurtzorg verovert de wereld, meldde de media de afgelopen weken. Te beginnen in Zweden. Daar ging Buurtzorg op 1 december van start. België, Japan en de Verenigde Staten hebben belangstelling. Het einde van de manager is in zicht. Politiek Den Haag helpt eraan mee. Managers moeten een dag voor de klas, aldus een recente motie van de SP.
Abonneren op:
Posts (Atom)