0-groep
column in eigenWijs 30, tijdschrift voor pedagogisch medewerkers van Kinderopvang Humanitas
Peuters moeten naar school, zegt de Onderwijsraad. Een half jaar geleden kwam dit adviesorgaan van de minister met deze omstreden aanbeveling. Te veel kinderen spreken te slecht Nederlands en dat los je op door peuters naar school te laten gaan. Vindt de Onderwijsraad. En dat vindt nu ook minister Van Bijsterveld van Onderwijs. En dat vindt de onderwijswethouder van de gemeente Rotterdam, een oud leraar en schooldirecteur. Alle zegen komt van het onderwijs, menen zij. Ze vinden het daarom heel belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor peuters bij de basisschool komt te liggen.
Rotterdam wil volgend schooljaar alle voorscholen omvormen tot zogenaamde 0-groepen. Leerkrachten krijgen bijscholing voor deze jonge groep leerlingen en voor deze bijzondere taak. Heel veel ervaring met het bijbrengen van een nieuwe taal hebben ze tenslotte niet.
Bijscholing is niet alleen hard nodig voor taal, maar juffen en meesters weten ook heel weinig over het jonge kind. Nu al horen we veel klachten over de huidige kleuterjuffen. Op de Pabo leren de toekomstige leerkrachten namelijk weinig over de ontwikkeling van jonge kinderen. Hoe zal het dan gaan als ze straks peuters in hun klas hebben?
Vanuit mijn eigen ervaring met kleuterleerkrachten ben ik niet optimistisch. Toen mijn kinderen van de peuterspeelzaal en de kinderopvang naar de basisschool overstapten, was dat voor ons een cultuurschok. Alles wat in de kinderopvang vloeken in de kerk was, bleek hier heel gewoon. Bijna iedere dag kwam mijn dochter thuis met een ingekleurde kleurplaat. Rond 5 december hingen er twintig identieke pietjes aan een waslijn door de klas. Aan het moederdagcadeau had vooral de juf veel werk. En bij het eerste oudergesprek kregen we te horen dat onze 4-jarige niet rustig op haar stoel bleef zitten. Pas als de juf zei dat ze door moest werken, ging ze vlug vlug aan de slag en dan werd het wel heel slordig.
En dan hadden we hier nog te maken met een echte kleuterjuf. Ze had al jaren groep 1 en 2. Op veel scholen wisselen leerkracht regelmatig. Dan weer van groep 4 naar ½, dan naar 3 en weer terug naar 1/2.
Waarom komen die pedagogisch medewerkers uit de kinderopvang of de peuterspeelzaal niet vertellen over hoe zij hun werk doen, dacht ik toen. En dat denk ik nu nog steeds. Dames, laat jullie expertise zien. Vertel over Pikler, over respect voor het kind, over activiteitengericht werken. Vertel over hoe jullie de ontwikkeling van kinderen op verschillende gebieden stimuleren en niet alleen op cognitief vlak. Pedagogisch medewerkers laat je niet ondersneeuwen door het onderwijs. Pedagogisch medewerkers laat je horen. Op naar het Malieveld, op naar het Binnenhof.
maandag 28 maart 2011
Quality time
column in eigenWijs 29, tijdschrift voor pedagogisch medewerkers van Kinderopvang Humanitas
Een pedagogisch medewerker vertelde mij onlangs dat ze overstapte van de buitenschoolse opvang naar de dagopvang. De reden daarvoor was dat ze niet zo goed wist wat ze moest doen met oudere kinderen. En op het dagverblijf was dat gemakkelijker. Daar was het toch eigenlijk alleen verzorgen. Jammer voor die kinderen in de dagopvang, dacht ik. Jammer voor de pedagogisch medewerker. Kreeg ze maar meer steun van haar organisatie bij het ontwikkelen van een goed activiteitenaanbod. Voor de goede orde: dit was niet iemand van Kinderopvang Humanitas.
De pedagogisch medewerker weer terug in de rol van oppas: dat zie je ook weer in de vele berichten in de media rond de bezuinigingen. De kinderopvang ligt onder vuur. Kinderopvang, dat kan oma ook, en de buurvrouw. Daar moeten we niet zo’n punt van maken. Hoezo sluit de kinderopvang dicht aan bij onderwijs? Hoezo doorgaande pedagogische lijn? We verhuizen de kinderopvang weer naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het is toch gewoon een middel om meer vrouwen aan het werk te krijgen.
Dat zijn niet alleen (voornamelijk rechtse) politici die zo denken. Blijkbaar ook sommige pedagogische medewerkers en kinderopvangorganisaties, zoals bovenstaand voorbeeld laat zien. Ook ouders zien de kinderopvang vaak voornamelijk als oppas. Hoeveel ouders kijken serieus naar het pedagogisch plan? ‘Ach, ze zijn hier maar twee dagen’, zeggen ze dan.
Ik heb die uitspraak veel gehoord van ouders rondom mij. Kinderen verpesten kun je niet in twee dagen. Maar hoeveel ouders hangen hun ouderschap niet op aan een uurtje quality time per dag?
Toch zie je ouders kritischer worden naarmate ze langer klant zijn in de kinderopvang. Tegenwoordig hoor ik vrienden juist weer mopperen dat de kinderopvang zo weinig doet met hun kinderen. Vooral op de buitenschoolse opvang is een mooi activiteitenaanbod een onderscheidend kenmerk. Een aanbod waarbij kinderen hun energie kwijt kunnen, maar ook hun creativiteit. ‘De grootste rouwdouwers zitten na een uur buitenspelen, rustig prachtige gedichten te schrijven’, vertelde een enthousiaste kinderopvangdeskundige over haar reis naar Amerika.
Zeker in de tijden van krimp - en die komen eraan - zijn ouders lekker te maken met een mooi programma. Zoals ook scholen leerlingen trekken met hun schilder, schaats- en muzieklessen. Dat pedagogisch medewerkers tegelijkertijd werken aan verschillende ontwikkelingsgebieden zal ouders misschien een zorg zijn. Maar het is mooi meegenomen: voor de kinderen en voor de beroepseer van de pedagogisch medewerkers.
column in eigenWijs 29, tijdschrift voor pedagogisch medewerkers van Kinderopvang Humanitas
Een pedagogisch medewerker vertelde mij onlangs dat ze overstapte van de buitenschoolse opvang naar de dagopvang. De reden daarvoor was dat ze niet zo goed wist wat ze moest doen met oudere kinderen. En op het dagverblijf was dat gemakkelijker. Daar was het toch eigenlijk alleen verzorgen. Jammer voor die kinderen in de dagopvang, dacht ik. Jammer voor de pedagogisch medewerker. Kreeg ze maar meer steun van haar organisatie bij het ontwikkelen van een goed activiteitenaanbod. Voor de goede orde: dit was niet iemand van Kinderopvang Humanitas.
De pedagogisch medewerker weer terug in de rol van oppas: dat zie je ook weer in de vele berichten in de media rond de bezuinigingen. De kinderopvang ligt onder vuur. Kinderopvang, dat kan oma ook, en de buurvrouw. Daar moeten we niet zo’n punt van maken. Hoezo sluit de kinderopvang dicht aan bij onderwijs? Hoezo doorgaande pedagogische lijn? We verhuizen de kinderopvang weer naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het is toch gewoon een middel om meer vrouwen aan het werk te krijgen.
Dat zijn niet alleen (voornamelijk rechtse) politici die zo denken. Blijkbaar ook sommige pedagogische medewerkers en kinderopvangorganisaties, zoals bovenstaand voorbeeld laat zien. Ook ouders zien de kinderopvang vaak voornamelijk als oppas. Hoeveel ouders kijken serieus naar het pedagogisch plan? ‘Ach, ze zijn hier maar twee dagen’, zeggen ze dan.
Ik heb die uitspraak veel gehoord van ouders rondom mij. Kinderen verpesten kun je niet in twee dagen. Maar hoeveel ouders hangen hun ouderschap niet op aan een uurtje quality time per dag?
Toch zie je ouders kritischer worden naarmate ze langer klant zijn in de kinderopvang. Tegenwoordig hoor ik vrienden juist weer mopperen dat de kinderopvang zo weinig doet met hun kinderen. Vooral op de buitenschoolse opvang is een mooi activiteitenaanbod een onderscheidend kenmerk. Een aanbod waarbij kinderen hun energie kwijt kunnen, maar ook hun creativiteit. ‘De grootste rouwdouwers zitten na een uur buitenspelen, rustig prachtige gedichten te schrijven’, vertelde een enthousiaste kinderopvangdeskundige over haar reis naar Amerika.
Zeker in de tijden van krimp - en die komen eraan - zijn ouders lekker te maken met een mooi programma. Zoals ook scholen leerlingen trekken met hun schilder, schaats- en muzieklessen. Dat pedagogisch medewerkers tegelijkertijd werken aan verschillende ontwikkelingsgebieden zal ouders misschien een zorg zijn. Maar het is mooi meegenomen: voor de kinderen en voor de beroepseer van de pedagogisch medewerkers.
dinsdag 15 februari 2011
Zedenzaak en aanspreekcultuur
Column in Management Kinderopvang, februari 2011
‘We moeten alerter worden, goed op signalen letten van slachtoffers, maar ook van daders.’ Dat zei Martine Delfos in NRC Handelsblad (27 december jl.) naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak. Eens in de zoveel jaar wordt de kinderopvang opgeschrikt door seksueel misbruik. Gelukkig zelden in de omvang als de recent aan het licht gekomen Amsterdamse zaak. Maar we moeten toch wrang constateren dat het bij de sector hoort en zal blijven horen. Je kunt je er tegen wapenen, maar het nooit voorkomen.
Sommige media wijten het aan de marktwerking. Jan Kuitenbrouwer noemt de kinderopvang (NRC 15 december) ‘een façade, met daarachter niets dan woeste leegte. Etalagecrèches. Een schimmenrijk van scharrelaars, “ondernemers” en enge jongens met een laptop’. Natuurlijk ben ik het niet met hem eens. Wel denk ik dat er na de invoering van de wet Kinderopvang meer organisaties zijn gekomen waar personeel uitsluitend gezien wordt als kostenpost en dat misbruik daar eerder voor kan komen. Meer mensen alleen op de groep, een minder professionele houding.
Want Martine Delfos heeft gelijk: we moeten alert zijn. Ouders, maar vooral ook pedagogisch medewerkers en hun leidinggevenden. Professionaliteit van de medewerkers kan misbruik niet altijd voorkomen, maar soms wel het verschil maken. In de zaken die de afgelopen jaren in de openbaarheid kwamen, ging het bijna altijd om een dader over wie collega’s achteraf zeiden dat hij ‘wel wat eigenaardig’ was. Die gevoelens zijn lang niet altijd kenbaar gemaakt.
Organisaties in de kinderopvang ontberen vaak een aanspreekcultuur, zei arbeidsrechtdeskundige Arthur Hol in het decembernummer van dit blad. ‘Medewerkers worden niet of weinig aangesproken op hun functioneren. (…) Daarbij komt dat leidinggevenden in de kinderopvang kritiek vaak mondeling en heel omfloerst geven.’
Een goede leidinggevende zorgt dat ze tijdens het werkoverleg signalen opvangt, vindt Hol. Dat doet ze door door te vragen. Dus niet alleen ‘gaat het goed op de groep’, maar ook ‘hoe gaat het met het uitruimen van de afwasmachine, met de oudercontacten, met verschonen’. Daarmee verlaag je de drempel om eenvoudige ergernissen te uiten en verklein je eventuele conflicten tussen collega’s. Daar moeten dus ook vragen over seksualiteit en intimiteit aan toegevoegd worden.
Niet alleen in de kinderopvang blijkt daar vaak nauwelijks over gesproken te worden, ook in het basisonderwijs. Wat doet de leraar als er ruzie uitbreekt onder de douche? Kan een meester een kleuter op schoot nemen? Het onderwerp staat bij de meeste scholen pas sinds kort expliciet op de agenda. Ook al denkt scheidend Onderwijsraad-voorzitter Fons van Wieringen dat zo’n zaak in het onderwijs niet zo gauw voor zou komen vanwege de professionaliteit van de medewerkers (de Volkskrant, 27 december jl.).
Hoe moeilijk en confronterend het misschien ook is, het onderwerp moet op tafel en met grote regelmaat. Niet alleen ter bescherming van de kinderen, maar ook ter bescherming van de medewerkers.
Column in Management Kinderopvang, februari 2011
‘We moeten alerter worden, goed op signalen letten van slachtoffers, maar ook van daders.’ Dat zei Martine Delfos in NRC Handelsblad (27 december jl.) naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak. Eens in de zoveel jaar wordt de kinderopvang opgeschrikt door seksueel misbruik. Gelukkig zelden in de omvang als de recent aan het licht gekomen Amsterdamse zaak. Maar we moeten toch wrang constateren dat het bij de sector hoort en zal blijven horen. Je kunt je er tegen wapenen, maar het nooit voorkomen.
Sommige media wijten het aan de marktwerking. Jan Kuitenbrouwer noemt de kinderopvang (NRC 15 december) ‘een façade, met daarachter niets dan woeste leegte. Etalagecrèches. Een schimmenrijk van scharrelaars, “ondernemers” en enge jongens met een laptop’. Natuurlijk ben ik het niet met hem eens. Wel denk ik dat er na de invoering van de wet Kinderopvang meer organisaties zijn gekomen waar personeel uitsluitend gezien wordt als kostenpost en dat misbruik daar eerder voor kan komen. Meer mensen alleen op de groep, een minder professionele houding.
Want Martine Delfos heeft gelijk: we moeten alert zijn. Ouders, maar vooral ook pedagogisch medewerkers en hun leidinggevenden. Professionaliteit van de medewerkers kan misbruik niet altijd voorkomen, maar soms wel het verschil maken. In de zaken die de afgelopen jaren in de openbaarheid kwamen, ging het bijna altijd om een dader over wie collega’s achteraf zeiden dat hij ‘wel wat eigenaardig’ was. Die gevoelens zijn lang niet altijd kenbaar gemaakt.
Organisaties in de kinderopvang ontberen vaak een aanspreekcultuur, zei arbeidsrechtdeskundige Arthur Hol in het decembernummer van dit blad. ‘Medewerkers worden niet of weinig aangesproken op hun functioneren. (…) Daarbij komt dat leidinggevenden in de kinderopvang kritiek vaak mondeling en heel omfloerst geven.’
Een goede leidinggevende zorgt dat ze tijdens het werkoverleg signalen opvangt, vindt Hol. Dat doet ze door door te vragen. Dus niet alleen ‘gaat het goed op de groep’, maar ook ‘hoe gaat het met het uitruimen van de afwasmachine, met de oudercontacten, met verschonen’. Daarmee verlaag je de drempel om eenvoudige ergernissen te uiten en verklein je eventuele conflicten tussen collega’s. Daar moeten dus ook vragen over seksualiteit en intimiteit aan toegevoegd worden.
Niet alleen in de kinderopvang blijkt daar vaak nauwelijks over gesproken te worden, ook in het basisonderwijs. Wat doet de leraar als er ruzie uitbreekt onder de douche? Kan een meester een kleuter op schoot nemen? Het onderwerp staat bij de meeste scholen pas sinds kort expliciet op de agenda. Ook al denkt scheidend Onderwijsraad-voorzitter Fons van Wieringen dat zo’n zaak in het onderwijs niet zo gauw voor zou komen vanwege de professionaliteit van de medewerkers (de Volkskrant, 27 december jl.).
Hoe moeilijk en confronterend het misschien ook is, het onderwerp moet op tafel en met grote regelmaat. Niet alleen ter bescherming van de kinderen, maar ook ter bescherming van de medewerkers.
Vraag wat jij kunt doen
column in Management Kinderopvang, januari 2011
Vraag niet wat jouw land voor jou kan doen, maar vraag wat jij voor je land kunt doen. De woorden van John F. Kennedy zijn mateloos populair. Minister van Defensie Hans Hillen gebruikte ze onlangs om het CDA-gedachtegoed over het voetlicht te brengen: ‘een sterk gevoelde maatschappelijke verantwoordelijkheid van burgers jegens elkaar en jegens de overheid’ (de Volkskrant 27 november jl). Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) citeert de beroemde zin in een pleidooi voor meer zelfredzaamheid van burgers.
Balkenende roffelde jarenlang op trom van zelfredzaamheid en gemeenschapszin. Hij is een groot fan van de communautaristische ideeën van Amitai Etzioni: de gemeenschap centraal. Lang werd er een beetje smalend gedaan over deze heilfilosofie, maar nu blijkt dat Balkenende zijn tijd ver vooruit was. Marktwerking heeft afgedaan, dus daar moet iets voor in de plaats komen. In een tijd van bezuinigingen is dat niet de staat, want die heeft geen geld, maar de gemeenschap.
Als het aan de VNG ligt worden burgers veel meer verantwoordelijk voor hun eigen zaakjes. ‘Je moet het niet negatief zien’, zegt een woordvoerder op de website van Binnenlands Bestuur en in een ANP-bericht (6 december jl.). ‘Mensen willen in deze moderne samenleving veel meer zaken zelf aanpakken dan vroeger. Uit onderzoek van TNS Nipo blijkt dat veel gemeenten hun dienstverlening zo aanpassen dat die de zelfredzaamheid van burgers stimuleert. Ruim driekwart van de gemeenten heeft daar in het coalitieakkoord een passage over opgenomen.
Het is natuurlijk een bezuiniging verkopen met een filosofisch sausje. Toch kan het een tegenwicht vormen voor het marktdenken dat ook bij individuele burgers zo gewoon is geworden. ‘Ik wil vanaf morgen vier dagen in de week gaan werken, maar er is geen plek op de opvang voor mijn drie kinderen.’ Menig gemeenteraadslid kreeg de afgelopen jaren dergelijke noodoproepen. Maar moet er dan à la minuut plek zijn? Wat dacht je van een (tijdelijke) afspraak met andere ouders: zij één dag, wij één dag?
De basisschool van mijn kinderen bedacht een nogal ongelukkige vrije-dagenregeling waarvoor de bso niet open wil. Een aantal ondernemende moeders sloeg de handen ineen en regelde zelf wat voor hun kroost. De directeur stelde de school open. Iedereen kan zijn kind brengen. De enige voorwaarde is dat de ouder die brengt ook een dag meedraait in de opvang. Het loopt nog niet storm.
Voor de kinderopvang is dat geen slecht teken. Die zit de komende jaren vast niet te wachten op het motto: vraag niet wat de kinderopvang voor jou kan doen, maar wat jij voor de kinderopvang kunt doen.
column in Management Kinderopvang, januari 2011
Vraag niet wat jouw land voor jou kan doen, maar vraag wat jij voor je land kunt doen. De woorden van John F. Kennedy zijn mateloos populair. Minister van Defensie Hans Hillen gebruikte ze onlangs om het CDA-gedachtegoed over het voetlicht te brengen: ‘een sterk gevoelde maatschappelijke verantwoordelijkheid van burgers jegens elkaar en jegens de overheid’ (de Volkskrant 27 november jl). Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) citeert de beroemde zin in een pleidooi voor meer zelfredzaamheid van burgers.
Balkenende roffelde jarenlang op trom van zelfredzaamheid en gemeenschapszin. Hij is een groot fan van de communautaristische ideeën van Amitai Etzioni: de gemeenschap centraal. Lang werd er een beetje smalend gedaan over deze heilfilosofie, maar nu blijkt dat Balkenende zijn tijd ver vooruit was. Marktwerking heeft afgedaan, dus daar moet iets voor in de plaats komen. In een tijd van bezuinigingen is dat niet de staat, want die heeft geen geld, maar de gemeenschap.
Als het aan de VNG ligt worden burgers veel meer verantwoordelijk voor hun eigen zaakjes. ‘Je moet het niet negatief zien’, zegt een woordvoerder op de website van Binnenlands Bestuur en in een ANP-bericht (6 december jl.). ‘Mensen willen in deze moderne samenleving veel meer zaken zelf aanpakken dan vroeger. Uit onderzoek van TNS Nipo blijkt dat veel gemeenten hun dienstverlening zo aanpassen dat die de zelfredzaamheid van burgers stimuleert. Ruim driekwart van de gemeenten heeft daar in het coalitieakkoord een passage over opgenomen.
Het is natuurlijk een bezuiniging verkopen met een filosofisch sausje. Toch kan het een tegenwicht vormen voor het marktdenken dat ook bij individuele burgers zo gewoon is geworden. ‘Ik wil vanaf morgen vier dagen in de week gaan werken, maar er is geen plek op de opvang voor mijn drie kinderen.’ Menig gemeenteraadslid kreeg de afgelopen jaren dergelijke noodoproepen. Maar moet er dan à la minuut plek zijn? Wat dacht je van een (tijdelijke) afspraak met andere ouders: zij één dag, wij één dag?
De basisschool van mijn kinderen bedacht een nogal ongelukkige vrije-dagenregeling waarvoor de bso niet open wil. Een aantal ondernemende moeders sloeg de handen ineen en regelde zelf wat voor hun kroost. De directeur stelde de school open. Iedereen kan zijn kind brengen. De enige voorwaarde is dat de ouder die brengt ook een dag meedraait in de opvang. Het loopt nog niet storm.
Voor de kinderopvang is dat geen slecht teken. Die zit de komende jaren vast niet te wachten op het motto: vraag niet wat de kinderopvang voor jou kan doen, maar wat jij voor de kinderopvang kunt doen.
dinsdag 14 december 2010
Marktwerking
Column in Management Kinderopvang, 12 2010
Als politiek minder te vertellen krijgt over de publieke sector, krijgen mensen minder te vertellen over de samenleving. Een uitspraak van SP’er Emile Roemer in het debat rond de regeringsverklaring. Niet alleen bij de SP, maar in de hele samenleving ligt marktwerking nog steeds onder vuur. En terecht, want hoe zou de kinderopvang ervoor gestaan hebben als de marktwerking in de sector niet zo’n vlucht had genomen?
Dan was bijvoorbeeld de kinderopvang van de Amsterdamse Stichting Welzijn Zuid nog steeds van ons, het volk, geweest. Stichting Welzijn Zuid werd Combiwel, Combiwel werd Compagnie. Landelijke en lokale politici zullen niet weten dat het een onderdeel is van Catalpa, de kinderopvangorganisatie met de meest commerciële uitstraling, maar feeling hebben politici ook niet met Compagnie. De naamswijzigingen werken ontheemdend. Dat zijn niet ‘wij’, dat zijn ‘zij’. Dat klinkt naar commercieel. Daar kun je gemakkelijk op bezuinigen. In lokaal jeugdbeleid staat de kinderopvang om die reden altijd achteraan in de rij. Ze doet niet echt meer mee. Hoe gemakkelijk is het dan om die sector op het hakblok te leggen in tijden van bezuinigingen.
Maar de marktwerking heeft toch ook veel goeds gebracht? Meer kwaliteit, meer efficiency? Zeker, maar dat is een beweging die je ook in de volledig publieke sector vindt. Denk aan het onderwijs. Het nieuwe buzzword in het onderwijs is ‘opbrengstgericht werken’. Scholen zijn zich ervan bewust dat ze kwaliteit moeten leveren, dat ze afgerekend worden op hun resultaten. Niet alleen de Onderwijsinspectie, maar ook de Citoscores en de scholenranglijsten van Trouw en Elsevier werken dat in de hand. De kinderopvang daarentegen kent nauwelijks openbare verantwoording, buiten het vrij basale GGD-inspectierapport. Het Algemeen Dagblad deed in 2008 een halfslachtige poging met de Nationale Crèchetest, maar daar hebben we sindsdien nooit meer iets van vernomen.
Schooldirecteuren zijn bovendien managers geworden van wie een sluitende begroting geëist wordt en dus een efficiënte personeelsinzet en verantwoorde materiële uitgaven. Daar kan de kinderopvang vaak nog wat van leren. Ik sprak onlangs een schoolbestuurder die een leerkracht een offerte liet uitbrengen voor zijn nieuwe schooljaar in groep 6. Nog als experiment, maar hij wil dat zijn medewerkers zich bewust worden van de kosten en baten van het runnen van een groep. Ook dacht hij eraan om een leerkracht van een groep van dertig, wat bij hem zes leerlingen boven het break-evenpunt is, extra te betalen. Dan klaagt er geen leerkracht meer dat zijn groep zo groot is.
Prestatiemanagement kortom is niet meer voorbehouden aan de private sector en marktwerking heeft de kinderopvang misschien wel veel goeds gebracht, maar het komt als een boemerang terug.
Column in Management Kinderopvang, 12 2010
Als politiek minder te vertellen krijgt over de publieke sector, krijgen mensen minder te vertellen over de samenleving. Een uitspraak van SP’er Emile Roemer in het debat rond de regeringsverklaring. Niet alleen bij de SP, maar in de hele samenleving ligt marktwerking nog steeds onder vuur. En terecht, want hoe zou de kinderopvang ervoor gestaan hebben als de marktwerking in de sector niet zo’n vlucht had genomen?
Dan was bijvoorbeeld de kinderopvang van de Amsterdamse Stichting Welzijn Zuid nog steeds van ons, het volk, geweest. Stichting Welzijn Zuid werd Combiwel, Combiwel werd Compagnie. Landelijke en lokale politici zullen niet weten dat het een onderdeel is van Catalpa, de kinderopvangorganisatie met de meest commerciële uitstraling, maar feeling hebben politici ook niet met Compagnie. De naamswijzigingen werken ontheemdend. Dat zijn niet ‘wij’, dat zijn ‘zij’. Dat klinkt naar commercieel. Daar kun je gemakkelijk op bezuinigen. In lokaal jeugdbeleid staat de kinderopvang om die reden altijd achteraan in de rij. Ze doet niet echt meer mee. Hoe gemakkelijk is het dan om die sector op het hakblok te leggen in tijden van bezuinigingen.
Maar de marktwerking heeft toch ook veel goeds gebracht? Meer kwaliteit, meer efficiency? Zeker, maar dat is een beweging die je ook in de volledig publieke sector vindt. Denk aan het onderwijs. Het nieuwe buzzword in het onderwijs is ‘opbrengstgericht werken’. Scholen zijn zich ervan bewust dat ze kwaliteit moeten leveren, dat ze afgerekend worden op hun resultaten. Niet alleen de Onderwijsinspectie, maar ook de Citoscores en de scholenranglijsten van Trouw en Elsevier werken dat in de hand. De kinderopvang daarentegen kent nauwelijks openbare verantwoording, buiten het vrij basale GGD-inspectierapport. Het Algemeen Dagblad deed in 2008 een halfslachtige poging met de Nationale Crèchetest, maar daar hebben we sindsdien nooit meer iets van vernomen.
Schooldirecteuren zijn bovendien managers geworden van wie een sluitende begroting geëist wordt en dus een efficiënte personeelsinzet en verantwoorde materiële uitgaven. Daar kan de kinderopvang vaak nog wat van leren. Ik sprak onlangs een schoolbestuurder die een leerkracht een offerte liet uitbrengen voor zijn nieuwe schooljaar in groep 6. Nog als experiment, maar hij wil dat zijn medewerkers zich bewust worden van de kosten en baten van het runnen van een groep. Ook dacht hij eraan om een leerkracht van een groep van dertig, wat bij hem zes leerlingen boven het break-evenpunt is, extra te betalen. Dan klaagt er geen leerkracht meer dat zijn groep zo groot is.
Prestatiemanagement kortom is niet meer voorbehouden aan de private sector en marktwerking heeft de kinderopvang misschien wel veel goeds gebracht, maar het komt als een boemerang terug.
Arbeidsmarktargument
Column in Management Kinderopvang, 11 2010
Het was deze maand niet lang zoeken naar berichten over kinderopvang in de media. Geen van de plannen van de oude CDA/ChristenUnie-regering zorgden voor zoveel ophef als de bezuinigingen op kinderopvang. Je kunt ze afdoen als de christelijke voorkeur voor moeder lekker thuis bij de kinderen, maar ook de nieuwe regering zal de kinderopvang niet ontzien. Waar is de tijd dat de VVD zich, bij monde van Jozias van Aartsen, hard maakte voor beter naschoolse opvang om gesleep met kinderen te voorkomen? Nog steeds heeft de kinderopvang de naam Van Aartsen en zijn motie voorop de tong liggen, maar inmiddels meent de VVD dat ouders meer moeten betalen aan kinderopvang. Dat wordt dus een dagje extra naar oma en dus meer gesleep. Een logischere keus zou zijn om het bedrijfsleven zijn toebedeelde deel ook daadwerkelijk te laten bijdragen, maar dit rechtse kabinet ontziet het bedrijfsleven aan alle kanten.
Begrijpelijk dat de kinderopvangbranche in de media uiting gaf aan haar ongenoegen. Een paar dagen mocht iedereen voluit kankeren, maar toen kwamen de meer genuanceerdere commentaren. ‘Leuk is het niet, maar de felle tegenstand tegen deze maatregel, is lichtelijk overtrokken’, concludeerde Trouw in zijn hoofdredactioneel commentaar.
Het veel gebruikte arbeidsmarktargument gaf daar dan ook aanleiding toe. Ouders gaan minder werken, was het meest gehoorde, maar ook meest discutabele argument tegen deze bezuiniging. Want hoeveel ouders zeggen daadwerkelijk hun baan op als de kosten van kinderopvang stijgen? Daarover verschillen de meningen. In ieder geval is hoogleraar Janneke Plantenga veel somberder dan het Sociaal Cultureel Planbureau en verantwoordelijk minister Rouvoet.
Het arbeidsmarktargument is daarom niet sterk. De kinderopvangbranche roept bovendien al jaren dat kinderopvang meer is dan een arbeidsmarktinstrument. Toch schiet de branche bij een beetje tegenwind onmiddellijk in die oude modus. Nergens werden de plannen voor een Dutch Design genoemd waarbij kinderopvang, onderwijs, welzijn, sport, cultuur en jeugdzorg samenwerken aan een sluitend dagarrangement. Het was nota bene Willem Vermeend van de Branchevereniging die ik voor het eerst het pedagogisch argument hoorde inbrengen, in een ingezonden bijdrage in de Volkskrant (25 september jl.). Terwijl Vermeend juist degene was die zich distantieerde van het Dutch Design, omdat hij vreesde voor te veel staatsopvoeding. Nu is hij het die de pedagogische waarde in de strijd gooit. Hij is ook degene die naar voren brengt dat kwaliteit een prijs heeft en het juist de ambitie is van overheid en branche om de kwaliteit te verhogen. Hè, hè, eindelijk de juiste argumenten.
Column in Management Kinderopvang, 11 2010
Het was deze maand niet lang zoeken naar berichten over kinderopvang in de media. Geen van de plannen van de oude CDA/ChristenUnie-regering zorgden voor zoveel ophef als de bezuinigingen op kinderopvang. Je kunt ze afdoen als de christelijke voorkeur voor moeder lekker thuis bij de kinderen, maar ook de nieuwe regering zal de kinderopvang niet ontzien. Waar is de tijd dat de VVD zich, bij monde van Jozias van Aartsen, hard maakte voor beter naschoolse opvang om gesleep met kinderen te voorkomen? Nog steeds heeft de kinderopvang de naam Van Aartsen en zijn motie voorop de tong liggen, maar inmiddels meent de VVD dat ouders meer moeten betalen aan kinderopvang. Dat wordt dus een dagje extra naar oma en dus meer gesleep. Een logischere keus zou zijn om het bedrijfsleven zijn toebedeelde deel ook daadwerkelijk te laten bijdragen, maar dit rechtse kabinet ontziet het bedrijfsleven aan alle kanten.
Begrijpelijk dat de kinderopvangbranche in de media uiting gaf aan haar ongenoegen. Een paar dagen mocht iedereen voluit kankeren, maar toen kwamen de meer genuanceerdere commentaren. ‘Leuk is het niet, maar de felle tegenstand tegen deze maatregel, is lichtelijk overtrokken’, concludeerde Trouw in zijn hoofdredactioneel commentaar.
Het veel gebruikte arbeidsmarktargument gaf daar dan ook aanleiding toe. Ouders gaan minder werken, was het meest gehoorde, maar ook meest discutabele argument tegen deze bezuiniging. Want hoeveel ouders zeggen daadwerkelijk hun baan op als de kosten van kinderopvang stijgen? Daarover verschillen de meningen. In ieder geval is hoogleraar Janneke Plantenga veel somberder dan het Sociaal Cultureel Planbureau en verantwoordelijk minister Rouvoet.
Het arbeidsmarktargument is daarom niet sterk. De kinderopvangbranche roept bovendien al jaren dat kinderopvang meer is dan een arbeidsmarktinstrument. Toch schiet de branche bij een beetje tegenwind onmiddellijk in die oude modus. Nergens werden de plannen voor een Dutch Design genoemd waarbij kinderopvang, onderwijs, welzijn, sport, cultuur en jeugdzorg samenwerken aan een sluitend dagarrangement. Het was nota bene Willem Vermeend van de Branchevereniging die ik voor het eerst het pedagogisch argument hoorde inbrengen, in een ingezonden bijdrage in de Volkskrant (25 september jl.). Terwijl Vermeend juist degene was die zich distantieerde van het Dutch Design, omdat hij vreesde voor te veel staatsopvoeding. Nu is hij het die de pedagogische waarde in de strijd gooit. Hij is ook degene die naar voren brengt dat kwaliteit een prijs heeft en het juist de ambitie is van overheid en branche om de kwaliteit te verhogen. Hè, hè, eindelijk de juiste argumenten.
Liefdevolle verwaarlozing
Column in Management Kinderopvang, 10 2010
Mijn dochter brak in het najaar haar pols, door een valpartij met de fiets. Een vriendinnetje viel van haar trampoline, gebroken been. Een buurjongen brak zijn arm na een bijzondere truc met zijn waveboard. De krantenberichten dat de spoedeisende hulp het tegenwoordig drukker heeft dan ooit, komen mij dus niet vreemd voor, de conclusie die de stichting Consument en Veiligheid eraan verbindt wel. Kinderen moeten op valles, zegt Consument en Veiligheid. Hebben ze geen RSI van te veel achter de computer zitten, maar een verstuikte enkel van te veel op de ripstick, is het weer niet goed.
Volgens de stichting gaat de motoriek van veel kinderen achteruit doordat ze dikker worden en minder buiten spelen. Uit onderzoek heeft de stichting laten blijken dat ouders hun kinderen te beschermd opvoeden. Dat is tegenwoordig de conclusie van bijna ieder onderzoek in de opvoedkundige sfeer. En concludeert de opdrachtgever van zo’n onderzoek dat niet al bij voorbaat zelf, dan zijn het wel de deskundigen en de ingezonden brievenschrijvers achteraf. Basisscholen moeten dus valles geven, vindt de stichting. Het volgende ‘maatschappelijke probleem’ dat op het bordje van het onderwijs wordt gelegd. Drugs- en alcoholoverlast? Mijn gemeenteraad heeft de oplossing: een lespakket voor het onderwijs. Loverboys, anorexia, kinderlokkers op internet: scholen zijn er maar druk mee.
Gelukkig zijn er ook andere geluiden, van pedagoog Liesbeth Groenhuijsen (NRC, 9 september jl) bijvoorbeeld. ‘Stop overal experts op te zetten’, zegt zij. ‘Het hoeft niet allemaal perfect. Ouders hebben vaak veel liefde te geven.’
Ouders wordt vaak verweten te geloven in het maakbare kind, maar ook de overheid en de maatschappij kunnen er wat van. Daarom was de opmerking over de bso van Josette Hoex van het NJi in Kinderopvang (7/8) zo verfrissend. We moeten onszelf niet belangrijker maken dan we zijn, vindt ze. ‘Ik heb wel eens het idee dat de bso zichzelf overschreeuwt om serieus genomen te worden. Dat ze bang is niet volwaardig mee te tellen als je “alleen maar opvang” biedt. Maar alleen maar opvang is heus niet zo weinig. Het is een eigen gedachte dat het gewone pedagogisch verantwoorde aanbod te mager is. Maar dat gewone is al heel veel.’
Liefdevolle verwaarlozing is een begrip dat pedagoog Rita Kohnstamm enkele decennia geleden muntte. We horen het tegenwoordig veel te weinig.
Column in Management Kinderopvang, 10 2010
Mijn dochter brak in het najaar haar pols, door een valpartij met de fiets. Een vriendinnetje viel van haar trampoline, gebroken been. Een buurjongen brak zijn arm na een bijzondere truc met zijn waveboard. De krantenberichten dat de spoedeisende hulp het tegenwoordig drukker heeft dan ooit, komen mij dus niet vreemd voor, de conclusie die de stichting Consument en Veiligheid eraan verbindt wel. Kinderen moeten op valles, zegt Consument en Veiligheid. Hebben ze geen RSI van te veel achter de computer zitten, maar een verstuikte enkel van te veel op de ripstick, is het weer niet goed.
Volgens de stichting gaat de motoriek van veel kinderen achteruit doordat ze dikker worden en minder buiten spelen. Uit onderzoek heeft de stichting laten blijken dat ouders hun kinderen te beschermd opvoeden. Dat is tegenwoordig de conclusie van bijna ieder onderzoek in de opvoedkundige sfeer. En concludeert de opdrachtgever van zo’n onderzoek dat niet al bij voorbaat zelf, dan zijn het wel de deskundigen en de ingezonden brievenschrijvers achteraf. Basisscholen moeten dus valles geven, vindt de stichting. Het volgende ‘maatschappelijke probleem’ dat op het bordje van het onderwijs wordt gelegd. Drugs- en alcoholoverlast? Mijn gemeenteraad heeft de oplossing: een lespakket voor het onderwijs. Loverboys, anorexia, kinderlokkers op internet: scholen zijn er maar druk mee.
Gelukkig zijn er ook andere geluiden, van pedagoog Liesbeth Groenhuijsen (NRC, 9 september jl) bijvoorbeeld. ‘Stop overal experts op te zetten’, zegt zij. ‘Het hoeft niet allemaal perfect. Ouders hebben vaak veel liefde te geven.’
Ouders wordt vaak verweten te geloven in het maakbare kind, maar ook de overheid en de maatschappij kunnen er wat van. Daarom was de opmerking over de bso van Josette Hoex van het NJi in Kinderopvang (7/8) zo verfrissend. We moeten onszelf niet belangrijker maken dan we zijn, vindt ze. ‘Ik heb wel eens het idee dat de bso zichzelf overschreeuwt om serieus genomen te worden. Dat ze bang is niet volwaardig mee te tellen als je “alleen maar opvang” biedt. Maar alleen maar opvang is heus niet zo weinig. Het is een eigen gedachte dat het gewone pedagogisch verantwoorde aanbod te mager is. Maar dat gewone is al heel veel.’
Liefdevolle verwaarlozing is een begrip dat pedagoog Rita Kohnstamm enkele decennia geleden muntte. We horen het tegenwoordig veel te weinig.
Abonneren op:
Posts (Atom)