Majesteiten
Column in eigenWijs nr. 20, tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas
‘Elk kind dat in Nederland na 1980 geboren is, lijkt in de wieg gelegd te zijn in een t-shirt met de tekst: I am Special. Niet om de een of andere prestatie, maar vanzelf al. Wij prijzen de tekening van een kind van drie alsof het om een Picasso gaat. Dat is goed voor het zelfvertrouwen, maar het houdt wel de realiteit buiten de deur.’ Dit zijn woorden van Jan Derksen, hoogleraar klinische psychologie (Intermediair, 20 maart 2008). En wat is het gevolg, meent Derksen, op latere leeftijd zijn onze kinderen als tropische vissen in de Noordzee: de werkelijkheid is hard, alles doet hen zeer. Een tweejarige vindt zichzelf de koning van het heelal, het middelpunt van de wereld. In die fase moet je een kind daarom ‘optimaal frustreren’, vindt Derksen. En optimaal frustreren is bijvoorbeeld een kind laten verliezen met een spelletje, maar ook hem laten zien dat hij valt omdat zijn beentjes nog te kort zijn. Zo voorkom je dat kinderen opgroeien met het idee dat ze al helemaal perfect zijn.
Derksen verwoordt voor mij waarom ik zo’n moeite heb met het nieuwe kindercentrum dat onlangs bij mij om de hoek is geopend. Sorry, het is geen kindercentrum, maar een kinderdagpaleis. Zo noemen ze zichzelf. Op de website worden kinderen aangesproken als hoogheden en majesteiten. De inrichting is een paleisje. Letterlijk. Met veel tronen en er is veel hermelijnrood en goud dat er blinkt. De kinderen zijn hier de koning van het heelal.
Commercieel gezien hebben de uitbaters groot gelijk. Het kindercentrum onderscheidt zich duidelijk van de concurrent die twee straten verderop is gevestigd. Het idee spreekt een bepaalde groep ouders aan, want om mij heen hoor ik enthousiaste geluiden.
Opeens ziet mijn eigen vertrouwde kindercentrum er kaal en ongezellig uit. Toch zou ik het niet willen inruilen voor het nieuwe. Hier worden de kinderen niet als majesteiten op hun wenken bediend, maar leren ze juist op hun beurt wachten, samen delen en samen spelen.
Achter iedere inrichting zit een filosofie. Ook al is die niet meteen zichtbaar. Aan pedagogische medewerkers de taak om ouders uit te leggen waarom hun kindercentrum eruit ziet zoals het eruit ziet. Zodat ze zien dat er misschien wel meer goud blinkt in een sober en rustig ingericht kindercentrum dan in een sprookjespaleis.
maandag 22 september 2008
Vergeet de lelijke woorden
Column in Management Kinderopvang, september 2008
Moeten peuters leren of mogen peuters peuteren? Deze discussie laaide afgelopen maanden weer op door het advies van de Onderwijsraad. Die publiceerde het rapport ‘Een rijk programma voor ieder kind’ en stelde dat de kinderopvang meer educatief moet zijn. Want leidsters in de kinderopvang kijken vooral of de kinderen geen vingers tussen de deur krijgen of dat ze niet uit de schommel vallen: zo zei een woordvoerster van de Onderwijsraad dat in dagblad BN/De Stem. Diplomatie is niet de sterkste kant van de Onderwijsraad zullen we maar denken. Kijk bijvoorbeeld maar naar het woord leeropvang dat de raad bedacht voor deze nieuwe kinderopvang. Niet alleen een vreselijk lelijk woord, maar het zet de discussie meteen op scherp. Want leren kinderen in de kinderopvang niet altijd, ook zonder ‘rijk programma’? Het woord ontbeert bovendien ieder speels karakter. Weg nuance dat kinderen al spelend leren. Met woorden als ‘leren’ en ‘programma’ zitten de tegenstanders van een op educatie gerichte kinderopvang meteen in de hoogste boom. De messen worden geslepen, de tegenstellingen zwaar aangezet.
Datzelfde zie je ook steeds weer gebeuren in de discussie over VVE. Onlangs zat ik om de tafel met een voor- en tegenstanders van VVE. Hoogleraar en taalpatholoog Sieneke Goorhuis-Brouwer versus hoogleraar orthopedagogiek Paul Leseman. Goorhuis heeft in diverse media haar afkeer van gestandaardiseerde programma’s voor jonge kinderen kenbaar gemaakt. Leseman breekt juist een lans voor VVE. Goorhuis grijpt graag terug naar vroeger, naar de tijd van de ouderwetse goedopgeleide kleuterjuf en speelzaalleidster. Met zo’n leidster is het keurslijf van een programma helemaal niet nodig, want zij houdt alle ontwikkelingsgebieden van het kind goed in de gaten, meent Goorhuis. Leseman ziet VVE juist als de ideale opleiding voor wie werkt met jonge kinderen. Pabo- en SPW-opleiding laten dat onderdeel nu liggen.
Maar naar Goorhuis’ ideale kleuterjuf is het zoeken als naar een speld in een hooiberg, net als naar de speelzaal waar Leseman’s VVE helemaal uitgevoerd wordt zoals het is bedoeld. Het is daarom niet gek dat de Onderwijsraad aandacht vraagt voor meer kwaliteit in de voorschoolse periode. Want ook Goorhuis is voorstander van meer algemeen stimulerende aandacht en een rijke omgeving voor jonge kinderen. Ook zij is voor scholing van leerkrachten en leidsters in de ontwikkeling van jonge kinderen. En ook Leseman vindt dat er meer aandacht moet komen voor kwaliteitsverhoging en niet alleen voor uitbreiding van VVE.
Het lijkt me daarom verstandig om in deze discussie niet te veel te kijken naar de woorden, maar te focussen op wat de partijen gemeenschappelijk hebben: een rijk aanbod voor kinderen op alle ontwikkelingsgebieden.
Column in Management Kinderopvang, september 2008
Moeten peuters leren of mogen peuters peuteren? Deze discussie laaide afgelopen maanden weer op door het advies van de Onderwijsraad. Die publiceerde het rapport ‘Een rijk programma voor ieder kind’ en stelde dat de kinderopvang meer educatief moet zijn. Want leidsters in de kinderopvang kijken vooral of de kinderen geen vingers tussen de deur krijgen of dat ze niet uit de schommel vallen: zo zei een woordvoerster van de Onderwijsraad dat in dagblad BN/De Stem. Diplomatie is niet de sterkste kant van de Onderwijsraad zullen we maar denken. Kijk bijvoorbeeld maar naar het woord leeropvang dat de raad bedacht voor deze nieuwe kinderopvang. Niet alleen een vreselijk lelijk woord, maar het zet de discussie meteen op scherp. Want leren kinderen in de kinderopvang niet altijd, ook zonder ‘rijk programma’? Het woord ontbeert bovendien ieder speels karakter. Weg nuance dat kinderen al spelend leren. Met woorden als ‘leren’ en ‘programma’ zitten de tegenstanders van een op educatie gerichte kinderopvang meteen in de hoogste boom. De messen worden geslepen, de tegenstellingen zwaar aangezet.
Datzelfde zie je ook steeds weer gebeuren in de discussie over VVE. Onlangs zat ik om de tafel met een voor- en tegenstanders van VVE. Hoogleraar en taalpatholoog Sieneke Goorhuis-Brouwer versus hoogleraar orthopedagogiek Paul Leseman. Goorhuis heeft in diverse media haar afkeer van gestandaardiseerde programma’s voor jonge kinderen kenbaar gemaakt. Leseman breekt juist een lans voor VVE. Goorhuis grijpt graag terug naar vroeger, naar de tijd van de ouderwetse goedopgeleide kleuterjuf en speelzaalleidster. Met zo’n leidster is het keurslijf van een programma helemaal niet nodig, want zij houdt alle ontwikkelingsgebieden van het kind goed in de gaten, meent Goorhuis. Leseman ziet VVE juist als de ideale opleiding voor wie werkt met jonge kinderen. Pabo- en SPW-opleiding laten dat onderdeel nu liggen.
Maar naar Goorhuis’ ideale kleuterjuf is het zoeken als naar een speld in een hooiberg, net als naar de speelzaal waar Leseman’s VVE helemaal uitgevoerd wordt zoals het is bedoeld. Het is daarom niet gek dat de Onderwijsraad aandacht vraagt voor meer kwaliteit in de voorschoolse periode. Want ook Goorhuis is voorstander van meer algemeen stimulerende aandacht en een rijke omgeving voor jonge kinderen. Ook zij is voor scholing van leerkrachten en leidsters in de ontwikkeling van jonge kinderen. En ook Leseman vindt dat er meer aandacht moet komen voor kwaliteitsverhoging en niet alleen voor uitbreiding van VVE.
Het lijkt me daarom verstandig om in deze discussie niet te veel te kijken naar de woorden, maar te focussen op wat de partijen gemeenschappelijk hebben: een rijk aanbod voor kinderen op alle ontwikkelingsgebieden.
donderdag 21 augustus 2008
Hyperleidster
Column in eigenWijs 19, tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas
De kleerkasten van mijn kinderen liggen vol shirts met lijmvlekken. ‘Dat is sterke lijm, mam.’ Ja, dat heb ik gemerkt. Zelfs mijn Miele wast het er niet uit. Jaren heb ik mijn schouders erover opgehaald, maar op een dag trek ik toch de stoute schoenen aan. Ik stel de juf voorzichtig voor om eens op zoek te gaan naar een andere lijmfabrikant. Ze aanhoort mij welwillend. Een paar dagen later krijg ik mijn negenjarige dochter thuis. ‘Door jou ben ik nu de enige in de klas die een schort aan moet’, roept ze verontwaardigd.
Dochter boos en moeder heeft nu waarschijnlijk het etiket hyperouder opgeplakt gekregen. Ouders zitten namelijk in de hoek waar de klappen vallen. Of ze bekommeren zich te weinig om hun kinderen en sturen ze zonder ontbijt naar school. Of ze zijn té bezorgd. Die laatste groep heet tegenwoordig hyperouder. En vooral pedagogische medewerkers in de kinderopvang schijnen er last van te hebben. Ze betitelen maar liefst twintig procent van de ouders als hyperouder.
Ik zet daar mijn vraagtekens bij, zeker na de sterke-lijmervaring. Ben ik een hyperouder omdat ik een keer klaag over de lijm? Is een ouder die een opmerking heeft over de doorweekte schoenen na het buitenspelen een hyperouder? En de ouder die uitleg vraagt over de bult op een voorhoofd? Of de ouder die wil weten hoe de afdruk van een rijtje tandjes in de arm van zijn oogappel komt?
Ik geloof niet in dat cijfer van twintig procent. Of het moet twintig procent zijn van de pedagogische medewerkers dat je hyperleidster kunt noemen. Hyperleidsters zijn pedagogische medewerkers die bij voorbaat bang zijn voor een kritische opmerking van ouders. Ze denken alvast voor de ouders en willen iedere valpartij, buil of nat pak voor zijn.
Ik maakte het mee tijdens een ouderavond over uitdagend buitenspelen in de buitenschoolse opvang. Niet de ouders zetten daar vraagtekens bij de veiligheid of waren overbezorgd, maar de pedagogische medewerkers. Zij zagen overal gevaren en bezwaren.
Natuurlijk zijn er ook overbezorgde ouders, maar zelfs die zijn voor rede vatbaar. Als een pedagogische medewerker weet wat ze doet, daar achter staat en daar uitleg over geeft, kan ze iedere ouder overtuigen. Dat is mijn overtuiging. Het is niet erg om verantwoording af te leggen tegenover ouders. Dat hoort bij het vak. En wie bang is voor vuile kleren, die schaft toch gewoon een stapeltje overalls aan.
Column in eigenWijs 19, tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas
De kleerkasten van mijn kinderen liggen vol shirts met lijmvlekken. ‘Dat is sterke lijm, mam.’ Ja, dat heb ik gemerkt. Zelfs mijn Miele wast het er niet uit. Jaren heb ik mijn schouders erover opgehaald, maar op een dag trek ik toch de stoute schoenen aan. Ik stel de juf voorzichtig voor om eens op zoek te gaan naar een andere lijmfabrikant. Ze aanhoort mij welwillend. Een paar dagen later krijg ik mijn negenjarige dochter thuis. ‘Door jou ben ik nu de enige in de klas die een schort aan moet’, roept ze verontwaardigd.
Dochter boos en moeder heeft nu waarschijnlijk het etiket hyperouder opgeplakt gekregen. Ouders zitten namelijk in de hoek waar de klappen vallen. Of ze bekommeren zich te weinig om hun kinderen en sturen ze zonder ontbijt naar school. Of ze zijn té bezorgd. Die laatste groep heet tegenwoordig hyperouder. En vooral pedagogische medewerkers in de kinderopvang schijnen er last van te hebben. Ze betitelen maar liefst twintig procent van de ouders als hyperouder.
Ik zet daar mijn vraagtekens bij, zeker na de sterke-lijmervaring. Ben ik een hyperouder omdat ik een keer klaag over de lijm? Is een ouder die een opmerking heeft over de doorweekte schoenen na het buitenspelen een hyperouder? En de ouder die uitleg vraagt over de bult op een voorhoofd? Of de ouder die wil weten hoe de afdruk van een rijtje tandjes in de arm van zijn oogappel komt?
Ik geloof niet in dat cijfer van twintig procent. Of het moet twintig procent zijn van de pedagogische medewerkers dat je hyperleidster kunt noemen. Hyperleidsters zijn pedagogische medewerkers die bij voorbaat bang zijn voor een kritische opmerking van ouders. Ze denken alvast voor de ouders en willen iedere valpartij, buil of nat pak voor zijn.
Ik maakte het mee tijdens een ouderavond over uitdagend buitenspelen in de buitenschoolse opvang. Niet de ouders zetten daar vraagtekens bij de veiligheid of waren overbezorgd, maar de pedagogische medewerkers. Zij zagen overal gevaren en bezwaren.
Natuurlijk zijn er ook overbezorgde ouders, maar zelfs die zijn voor rede vatbaar. Als een pedagogische medewerker weet wat ze doet, daar achter staat en daar uitleg over geeft, kan ze iedere ouder overtuigen. Dat is mijn overtuiging. Het is niet erg om verantwoording af te leggen tegenover ouders. Dat hoort bij het vak. En wie bang is voor vuile kleren, die schaft toch gewoon een stapeltje overalls aan.
donderdag 19 juni 2008
Dig Istha
column in Management Kinderopvang 6/7 2008
Hoeveel medewerkers telt de afdeling communicatie van het ministerie van OCW? Te veel in ieder geval. Het ministerie communiceert namelijk niet. Probeer als vakblad maar eens een voorlichter aan de lijn te krijgen. Of het communiceert op het verkeerde moment. En daardoor moet de kinderopvang nu geruchten en halve waarheden het hoofd bieden.
Ik snap best dat OCW-medewerkers niet officieel in willen gaan op geruchten die tactisch door spindokters zijn rondgestrooid. Ik begrijp ook dat zij zich het liefst vasthouden aan hun eigen zorgvuldig getimede communicatieplan. Maar heeft de afdeling communicatie van het ministerie één ogenblik nagedacht over de communicatie rond de plannen die staatssecretaris Dijksma in de Voorjaarsnota aankondigde. Je kunt het je afvragen. Het is niet echt een voorbeeld van zorgvuldige communicatie om eind april wat te roepen over bezuinigingen, maar het hoe en wat pas op 16 september uit de doeken te doen.
1400 euro gaan de bezuinigingen een gezin met anderhalf keer modaal kosten, berekende de MOgroep. Valt allemaal wel mee, doet staatssecretaris Sharon Dijksma luchtig in het programma Buitenhof. Pertinente onzin, zegt ze zelfs in de Volkskrant. Het AD en de Telegraaf weten ondertussen uit geheime berekeningen van het kabinet zeker dat het een strop van 375 euro wordt. Als u zegt dat het niet 1400 euro is dan weet u ook hoeveel het wel is, verwijt D66-kamerlid Kaya de staatssecretaris in het debat over de bezuinigingen.
En ondertussen slaat de gastouderopvang op tilt, want her en der wordt geroepen dat gastouderopvang niet meer in aanmerking komt voor een bijdrage. De nuance opa-oma-opvang valt in veel berichtgeving weg. Daar wordt alleen nog gesproken over gastouderbureautjes die onnoemelijke bedragen verdienen aan bemiddeling van wat al bemiddeld is.
Premier Balkenende denkt dat ouders zich niet zo snel op stang laten jagen. Maar Kinderstad-directeur Geert de Wit herinnert zich in het Brabants Dagblad dat in het verleden alleen al het vermoeden van stijgende kosten ervoor zorgde dat tien procent van de ouders wegbleef.
Je kunt erover discussiëren of het terecht is dat hogere inkomens meer gaan betalen voor kinderopvang. Je kunt je ook afvragen of het terecht is dat opa’s en oma’s geld krijgen voor wat ze vroeger voor niets deden. Maar over de zorgvuldig van het beleid van dit kabinet en het communicatiebeleid van de staatssecretaris is geen discussie mogelijk. Misschien Dig Istha eens vragen of hij naast Vogelaar en Cramer nog tijd heeft voor Dijksma?
column in Management Kinderopvang 6/7 2008
Hoeveel medewerkers telt de afdeling communicatie van het ministerie van OCW? Te veel in ieder geval. Het ministerie communiceert namelijk niet. Probeer als vakblad maar eens een voorlichter aan de lijn te krijgen. Of het communiceert op het verkeerde moment. En daardoor moet de kinderopvang nu geruchten en halve waarheden het hoofd bieden.
Ik snap best dat OCW-medewerkers niet officieel in willen gaan op geruchten die tactisch door spindokters zijn rondgestrooid. Ik begrijp ook dat zij zich het liefst vasthouden aan hun eigen zorgvuldig getimede communicatieplan. Maar heeft de afdeling communicatie van het ministerie één ogenblik nagedacht over de communicatie rond de plannen die staatssecretaris Dijksma in de Voorjaarsnota aankondigde. Je kunt het je afvragen. Het is niet echt een voorbeeld van zorgvuldige communicatie om eind april wat te roepen over bezuinigingen, maar het hoe en wat pas op 16 september uit de doeken te doen.
1400 euro gaan de bezuinigingen een gezin met anderhalf keer modaal kosten, berekende de MOgroep. Valt allemaal wel mee, doet staatssecretaris Sharon Dijksma luchtig in het programma Buitenhof. Pertinente onzin, zegt ze zelfs in de Volkskrant. Het AD en de Telegraaf weten ondertussen uit geheime berekeningen van het kabinet zeker dat het een strop van 375 euro wordt. Als u zegt dat het niet 1400 euro is dan weet u ook hoeveel het wel is, verwijt D66-kamerlid Kaya de staatssecretaris in het debat over de bezuinigingen.
En ondertussen slaat de gastouderopvang op tilt, want her en der wordt geroepen dat gastouderopvang niet meer in aanmerking komt voor een bijdrage. De nuance opa-oma-opvang valt in veel berichtgeving weg. Daar wordt alleen nog gesproken over gastouderbureautjes die onnoemelijke bedragen verdienen aan bemiddeling van wat al bemiddeld is.
Premier Balkenende denkt dat ouders zich niet zo snel op stang laten jagen. Maar Kinderstad-directeur Geert de Wit herinnert zich in het Brabants Dagblad dat in het verleden alleen al het vermoeden van stijgende kosten ervoor zorgde dat tien procent van de ouders wegbleef.
Je kunt erover discussiëren of het terecht is dat hogere inkomens meer gaan betalen voor kinderopvang. Je kunt je ook afvragen of het terecht is dat opa’s en oma’s geld krijgen voor wat ze vroeger voor niets deden. Maar over de zorgvuldig van het beleid van dit kabinet en het communicatiebeleid van de staatssecretaris is geen discussie mogelijk. Misschien Dig Istha eens vragen of hij naast Vogelaar en Cramer nog tijd heeft voor Dijksma?
maandag 26 mei 2008
Lawaaipapegaaien
in Management Kinderopvang, mei 2008
‘Beste Beatrijs, Wij wonen al vier jaar met veel plezier in onze buurt. Vorige zomer is er een trend gezet bij ons in de straat. Omdat deze doodlopend is, vinden de overburen het oké om twee waarschuwingspylonnen aan het begin van de straat neer te zetten, zodat iedereen die deze weg in- of uitrijdt rekening moet houden met hun spelende kinderen. Gisteren heb ik nog even beleefd geïnformeerd of ze geen tuin hebben achter hun huis. Ik kreeg als antwoord dat kinderen van deze leeftijd graag op straat willen spelen. Ze eisen dus een stuk straat op voor zichzelf en hinderen daarbij iedereen die erlangs moet, hetzij richting stad, hetzij richting eigen huis.’
Een citaat uit de rubriek Moderne manieren van Beatrijs Ritsema in Trouw (29 maart). Gelukkig kon de Lieve Mona van Trouw niet erg meevoelen met de klager. Klagers als deze mijnheer komen er steeds meer. Dat zal de kinderopvang herkennen. Kinderen zingen te veel en te hard, ze schreeuwen en hun fietsjes piepen. Kunnen mensen tegenwoordig minder hebben of maken moderne kinderen echt veel meer herrie?
Volgens de Stichting Bescherming Akoestisch Milieu (Bam) is het laatste het geval. Bam-directeur Lia Verhaar zegt in dagblad Tubantia (3 april): ‘Het is een toenemend probleem dat kinderen steeds meer lawaai maken. Daar krijgen wij veel klachten over binnen. Mensen ergeren zich vaak aan een kinderdagverblijf naast hun huis. Hetzelfde geldt voor een school als buur. Mensen en ook kinderen worden steeds lawaaieriger. De klachten die dat oplevert moeten we serieus nemen. Ik heb zelf voor de klas gestaan, maar ik snap niet dat kinderen steeds meer gillen en lawaai maken bij het spelen.’ Ofwel: ‘Nu je eigen kinderen de deur uit zijn, zit jij opgescheept met de overlast van kinderen die om half 8 ‘s morgens gedropt worden op een KDV, om zo het leven van de buren van dit KDV ernstig te verzieken.’ Zo schrijft iemand anoniem op de Bam-site.
Kinderen moeten meer bewegen, ze moeten achter de computer vandaan, lekker naar buiten de natuur in. Maar de boze buurman staat al klaar om de politie in te schakelen als ze te veel lawaai maken. En met het schoppen van een bal door de ruit eindig je al gauw op het Halt-bureau. Kattekwaad wordt gecriminaliseerd, zei pedagoog Bas Levering nog onlangs.
Maar toch, wie weet er in Nederland nog een stil plekje te vinden? Daarvoor moet je toch echt naar Terschelling.
in Management Kinderopvang, mei 2008
‘Beste Beatrijs, Wij wonen al vier jaar met veel plezier in onze buurt. Vorige zomer is er een trend gezet bij ons in de straat. Omdat deze doodlopend is, vinden de overburen het oké om twee waarschuwingspylonnen aan het begin van de straat neer te zetten, zodat iedereen die deze weg in- of uitrijdt rekening moet houden met hun spelende kinderen. Gisteren heb ik nog even beleefd geïnformeerd of ze geen tuin hebben achter hun huis. Ik kreeg als antwoord dat kinderen van deze leeftijd graag op straat willen spelen. Ze eisen dus een stuk straat op voor zichzelf en hinderen daarbij iedereen die erlangs moet, hetzij richting stad, hetzij richting eigen huis.’
Een citaat uit de rubriek Moderne manieren van Beatrijs Ritsema in Trouw (29 maart). Gelukkig kon de Lieve Mona van Trouw niet erg meevoelen met de klager. Klagers als deze mijnheer komen er steeds meer. Dat zal de kinderopvang herkennen. Kinderen zingen te veel en te hard, ze schreeuwen en hun fietsjes piepen. Kunnen mensen tegenwoordig minder hebben of maken moderne kinderen echt veel meer herrie?
Volgens de Stichting Bescherming Akoestisch Milieu (Bam) is het laatste het geval. Bam-directeur Lia Verhaar zegt in dagblad Tubantia (3 april): ‘Het is een toenemend probleem dat kinderen steeds meer lawaai maken. Daar krijgen wij veel klachten over binnen. Mensen ergeren zich vaak aan een kinderdagverblijf naast hun huis. Hetzelfde geldt voor een school als buur. Mensen en ook kinderen worden steeds lawaaieriger. De klachten die dat oplevert moeten we serieus nemen. Ik heb zelf voor de klas gestaan, maar ik snap niet dat kinderen steeds meer gillen en lawaai maken bij het spelen.’ Ofwel: ‘Nu je eigen kinderen de deur uit zijn, zit jij opgescheept met de overlast van kinderen die om half 8 ‘s morgens gedropt worden op een KDV, om zo het leven van de buren van dit KDV ernstig te verzieken.’ Zo schrijft iemand anoniem op de Bam-site.
Kinderen moeten meer bewegen, ze moeten achter de computer vandaan, lekker naar buiten de natuur in. Maar de boze buurman staat al klaar om de politie in te schakelen als ze te veel lawaai maken. En met het schoppen van een bal door de ruit eindig je al gauw op het Halt-bureau. Kattekwaad wordt gecriminaliseerd, zei pedagoog Bas Levering nog onlangs.
Maar toch, wie weet er in Nederland nog een stil plekje te vinden? Daarvoor moet je toch echt naar Terschelling.
dinsdag 22 april 2008
Hangjongeren
column in EigenWijs nr. 18, Tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas, maart 2008
‘Winkelmeisjes die tegen de toonbank hangen en alleen met elkaar in gesprek zijn: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een pedagogisch medewerker tegen me die een cursus klantvriendelijkheid volgde. ‘Leidsters die in de bank hangen als ouders binnenkomen: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst de trainer van zo’n klantvriendelijkheidcursus. ‘Leraren die tijdens een ouderavond tegen de kastenwand hangen terwijl de directeur de ouders toespreekt: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een schoolhoofd tegen me. Het is duidelijk: hangen wekt geen positieve gevoelens bij mensen op. Hangen straalt vervelingen en onverschilligheid uit. Denk maar aan de overlast van hangjongeren wat elke dag de kranten haalt.
Zijn leidsters in de kinderopvang hangjongeren? Nee, daar hebben ze het te druk voor. Maar er zijn wel kritieke momenten, tijdens de breng- en haalmomenten bijvoorbeeld. Ook gewoon zitten, kan dan namelijk snel hangen worden. Niet het zitten en ondertussen een spelletje doen, maar wel het zitten met een kind op schoot. Hier wordt niets gedaan, straalt zo iemand uit. Hier wordt gezeten. En daar erger ík me aan.
Aan de leidster die ’s morgens vroeg met een ouder zit/hangt te ouwebetten als ik mijn kind breng. Flauw? Misschien wel, maar het gebeurt niet één keer, het gebeurt dagelijks. Althans alle dagen dat ik daar kom. En dan is het toch zeker al negen uur. Vader installeert zich ieder ochtend genoeglijk met zoon op schoot en praat, over de vakantie, over de huizenmarkt, over de hypotheek, over het weer. Over van alles, behalve over zijn kind.
Natuurlijk is het voor pedagogisch medewerkers moeilijk om alle ouders evenveel aandacht te geven. Om je de claimende vader van het lijf te houden en om tijd te maken voor de bescheiden vader. Maar toch vraag ik me af wat er zou gebeuren als de medewerkster niet in haar stoel zou hangen? Als ze op de grond een blokkentoren bouwt met een kind, als ze samen met een kind een puzzeltje maakt, zou die vader dan nog zo uitgebreid de tijd nemen? Blijkbaar straalt de medewerkerster uit dat ze niets te doen heeft. Hoezo niets te doen, denk ik dan. Het is negen uur, dan is het heel goed te verkopen dat je helemaal geen tijd meer hebt voor ouders, maar alleen nog tijd voor de kinderen.
column in EigenWijs nr. 18, Tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas, maart 2008
‘Winkelmeisjes die tegen de toonbank hangen en alleen met elkaar in gesprek zijn: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een pedagogisch medewerker tegen me die een cursus klantvriendelijkheid volgde. ‘Leidsters die in de bank hangen als ouders binnenkomen: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst de trainer van zo’n klantvriendelijkheidcursus. ‘Leraren die tijdens een ouderavond tegen de kastenwand hangen terwijl de directeur de ouders toespreekt: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een schoolhoofd tegen me. Het is duidelijk: hangen wekt geen positieve gevoelens bij mensen op. Hangen straalt vervelingen en onverschilligheid uit. Denk maar aan de overlast van hangjongeren wat elke dag de kranten haalt.
Zijn leidsters in de kinderopvang hangjongeren? Nee, daar hebben ze het te druk voor. Maar er zijn wel kritieke momenten, tijdens de breng- en haalmomenten bijvoorbeeld. Ook gewoon zitten, kan dan namelijk snel hangen worden. Niet het zitten en ondertussen een spelletje doen, maar wel het zitten met een kind op schoot. Hier wordt niets gedaan, straalt zo iemand uit. Hier wordt gezeten. En daar erger ík me aan.
Aan de leidster die ’s morgens vroeg met een ouder zit/hangt te ouwebetten als ik mijn kind breng. Flauw? Misschien wel, maar het gebeurt niet één keer, het gebeurt dagelijks. Althans alle dagen dat ik daar kom. En dan is het toch zeker al negen uur. Vader installeert zich ieder ochtend genoeglijk met zoon op schoot en praat, over de vakantie, over de huizenmarkt, over de hypotheek, over het weer. Over van alles, behalve over zijn kind.
Natuurlijk is het voor pedagogisch medewerkers moeilijk om alle ouders evenveel aandacht te geven. Om je de claimende vader van het lijf te houden en om tijd te maken voor de bescheiden vader. Maar toch vraag ik me af wat er zou gebeuren als de medewerkster niet in haar stoel zou hangen? Als ze op de grond een blokkentoren bouwt met een kind, als ze samen met een kind een puzzeltje maakt, zou die vader dan nog zo uitgebreid de tijd nemen? Blijkbaar straalt de medewerkerster uit dat ze niets te doen heeft. Hoezo niets te doen, denk ik dan. Het is negen uur, dan is het heel goed te verkopen dat je helemaal geen tijd meer hebt voor ouders, maar alleen nog tijd voor de kinderen.
Leugens, grote leugens en statistieken
in Management Kinderopvang, april 2008
Dol op statistieken zijn de media. Maar heb je er wat aan? Iedereen gaat ermee aan de haal. Nu weer met de cijfers over het effect van de extra gelden voor kinderopvang op de arbeidsparticipatie van vrouwen.
Zoals de CNV Vakcentrale: ‘Omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen niet toeneemt, zoals het CPB vandaag bekend maakte, wordt het hoog tijd dat informele kinderopvang voor een vergoeding in aanmerking komt.’ En wat maakte het CPB op die dag bekend: ‘De participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt is de afgelopen decennia fors gestegen, maar de gemiddelde baanomvang van werkende vrouwen is vanaf het begin van de jaren negentig nauwelijks veranderd.’
Elsevier pakt het onderwerp kinderopvang weer eens op naar aanleiding van een Telegraafkop over budgetoverschrijding. In een filmpje op de website roept een verbeten vrouwelijke redacteur iets over een bodemloze put. Recept voor fraude en je ziet alleen maar een verschuiving van informeel naar formeel, geen toename van de arbeidsparticipatie.
Daarentegen weet Ineke Dezentjé Hamming van de VVD heel precies dat we op dit moment een toename zien van de arbeidsdeelname van vrouwen. En dat komt door haar partij, die ‘heeft bijgedragen een slinger te geven aan het gebruik van de kinderopvang’ (BBMP, 02/08).
Al sinds 1975 stijgt de arbeidsparticipatie van vrouwen ieder jaar, zoveel is duidelijk. Maar met hoeveel? En heeft de Wet kinderopvang daar invloed op gehad? We komen er niet achter. Het SCP-rapport ‘Nederland Deeltijdland’ laat in een grafiek een gestaag opgaande lijn zien tot 66 procent in 2006 (arbeidsdeelname van vrouwen tussen 15 en 65) jaar. Maar het CBS laat die opgaande lijn stoppen bij 59,8 procent in 2006. Het is me niet gelukt om te achterhalen waarin het verschil zit. Wat wel helder is, is dat in de CBS-cijfers de stijging tussen 2005 en 2006 iets sterker is dan de voorafgaande jaren, maar niet sterker dan het gemiddelde van de afgelopen tien jaar. Weinig reden dus voor Dezentjé om zich zo op de borst te slaan, lijkt mij.
In de branche bespeur je inmiddels ook kritische geluiden over het Van Aartsen/Bos-effect. Bestaat dat effect wel? Natuurlijk is de bso salonfähig geworden door koppeling aan de basisschool. Een enorm sterk merk. Maar die extra toeloop naar de bso wordt die toch niet vooral veroorzaakt omdat al die voormalige crèchekinderen inmiddels op de basisschool zitten? Probeer dat maar eens te achterhalen uit de statistieken. Ik wens u veel succes.
in Management Kinderopvang, april 2008
Dol op statistieken zijn de media. Maar heb je er wat aan? Iedereen gaat ermee aan de haal. Nu weer met de cijfers over het effect van de extra gelden voor kinderopvang op de arbeidsparticipatie van vrouwen.
Zoals de CNV Vakcentrale: ‘Omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen niet toeneemt, zoals het CPB vandaag bekend maakte, wordt het hoog tijd dat informele kinderopvang voor een vergoeding in aanmerking komt.’ En wat maakte het CPB op die dag bekend: ‘De participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt is de afgelopen decennia fors gestegen, maar de gemiddelde baanomvang van werkende vrouwen is vanaf het begin van de jaren negentig nauwelijks veranderd.’
Elsevier pakt het onderwerp kinderopvang weer eens op naar aanleiding van een Telegraafkop over budgetoverschrijding. In een filmpje op de website roept een verbeten vrouwelijke redacteur iets over een bodemloze put. Recept voor fraude en je ziet alleen maar een verschuiving van informeel naar formeel, geen toename van de arbeidsparticipatie.
Daarentegen weet Ineke Dezentjé Hamming van de VVD heel precies dat we op dit moment een toename zien van de arbeidsdeelname van vrouwen. En dat komt door haar partij, die ‘heeft bijgedragen een slinger te geven aan het gebruik van de kinderopvang’ (BBMP, 02/08).
Al sinds 1975 stijgt de arbeidsparticipatie van vrouwen ieder jaar, zoveel is duidelijk. Maar met hoeveel? En heeft de Wet kinderopvang daar invloed op gehad? We komen er niet achter. Het SCP-rapport ‘Nederland Deeltijdland’ laat in een grafiek een gestaag opgaande lijn zien tot 66 procent in 2006 (arbeidsdeelname van vrouwen tussen 15 en 65) jaar. Maar het CBS laat die opgaande lijn stoppen bij 59,8 procent in 2006. Het is me niet gelukt om te achterhalen waarin het verschil zit. Wat wel helder is, is dat in de CBS-cijfers de stijging tussen 2005 en 2006 iets sterker is dan de voorafgaande jaren, maar niet sterker dan het gemiddelde van de afgelopen tien jaar. Weinig reden dus voor Dezentjé om zich zo op de borst te slaan, lijkt mij.
In de branche bespeur je inmiddels ook kritische geluiden over het Van Aartsen/Bos-effect. Bestaat dat effect wel? Natuurlijk is de bso salonfähig geworden door koppeling aan de basisschool. Een enorm sterk merk. Maar die extra toeloop naar de bso wordt die toch niet vooral veroorzaakt omdat al die voormalige crèchekinderen inmiddels op de basisschool zitten? Probeer dat maar eens te achterhalen uit de statistieken. Ik wens u veel succes.
Abonneren op:
Posts (Atom)