Lawaaipapegaaien
in Management Kinderopvang, mei 2008
‘Beste Beatrijs, Wij wonen al vier jaar met veel plezier in onze buurt. Vorige zomer is er een trend gezet bij ons in de straat. Omdat deze doodlopend is, vinden de overburen het oké om twee waarschuwingspylonnen aan het begin van de straat neer te zetten, zodat iedereen die deze weg in- of uitrijdt rekening moet houden met hun spelende kinderen. Gisteren heb ik nog even beleefd geïnformeerd of ze geen tuin hebben achter hun huis. Ik kreeg als antwoord dat kinderen van deze leeftijd graag op straat willen spelen. Ze eisen dus een stuk straat op voor zichzelf en hinderen daarbij iedereen die erlangs moet, hetzij richting stad, hetzij richting eigen huis.’
Een citaat uit de rubriek Moderne manieren van Beatrijs Ritsema in Trouw (29 maart). Gelukkig kon de Lieve Mona van Trouw niet erg meevoelen met de klager. Klagers als deze mijnheer komen er steeds meer. Dat zal de kinderopvang herkennen. Kinderen zingen te veel en te hard, ze schreeuwen en hun fietsjes piepen. Kunnen mensen tegenwoordig minder hebben of maken moderne kinderen echt veel meer herrie?
Volgens de Stichting Bescherming Akoestisch Milieu (Bam) is het laatste het geval. Bam-directeur Lia Verhaar zegt in dagblad Tubantia (3 april): ‘Het is een toenemend probleem dat kinderen steeds meer lawaai maken. Daar krijgen wij veel klachten over binnen. Mensen ergeren zich vaak aan een kinderdagverblijf naast hun huis. Hetzelfde geldt voor een school als buur. Mensen en ook kinderen worden steeds lawaaieriger. De klachten die dat oplevert moeten we serieus nemen. Ik heb zelf voor de klas gestaan, maar ik snap niet dat kinderen steeds meer gillen en lawaai maken bij het spelen.’ Ofwel: ‘Nu je eigen kinderen de deur uit zijn, zit jij opgescheept met de overlast van kinderen die om half 8 ‘s morgens gedropt worden op een KDV, om zo het leven van de buren van dit KDV ernstig te verzieken.’ Zo schrijft iemand anoniem op de Bam-site.
Kinderen moeten meer bewegen, ze moeten achter de computer vandaan, lekker naar buiten de natuur in. Maar de boze buurman staat al klaar om de politie in te schakelen als ze te veel lawaai maken. En met het schoppen van een bal door de ruit eindig je al gauw op het Halt-bureau. Kattekwaad wordt gecriminaliseerd, zei pedagoog Bas Levering nog onlangs.
Maar toch, wie weet er in Nederland nog een stil plekje te vinden? Daarvoor moet je toch echt naar Terschelling.
dinsdag 22 april 2008
Hangjongeren
column in EigenWijs nr. 18, Tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas, maart 2008
‘Winkelmeisjes die tegen de toonbank hangen en alleen met elkaar in gesprek zijn: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een pedagogisch medewerker tegen me die een cursus klantvriendelijkheid volgde. ‘Leidsters die in de bank hangen als ouders binnenkomen: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst de trainer van zo’n klantvriendelijkheidcursus. ‘Leraren die tijdens een ouderavond tegen de kastenwand hangen terwijl de directeur de ouders toespreekt: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een schoolhoofd tegen me. Het is duidelijk: hangen wekt geen positieve gevoelens bij mensen op. Hangen straalt vervelingen en onverschilligheid uit. Denk maar aan de overlast van hangjongeren wat elke dag de kranten haalt.
Zijn leidsters in de kinderopvang hangjongeren? Nee, daar hebben ze het te druk voor. Maar er zijn wel kritieke momenten, tijdens de breng- en haalmomenten bijvoorbeeld. Ook gewoon zitten, kan dan namelijk snel hangen worden. Niet het zitten en ondertussen een spelletje doen, maar wel het zitten met een kind op schoot. Hier wordt niets gedaan, straalt zo iemand uit. Hier wordt gezeten. En daar erger ík me aan.
Aan de leidster die ’s morgens vroeg met een ouder zit/hangt te ouwebetten als ik mijn kind breng. Flauw? Misschien wel, maar het gebeurt niet één keer, het gebeurt dagelijks. Althans alle dagen dat ik daar kom. En dan is het toch zeker al negen uur. Vader installeert zich ieder ochtend genoeglijk met zoon op schoot en praat, over de vakantie, over de huizenmarkt, over de hypotheek, over het weer. Over van alles, behalve over zijn kind.
Natuurlijk is het voor pedagogisch medewerkers moeilijk om alle ouders evenveel aandacht te geven. Om je de claimende vader van het lijf te houden en om tijd te maken voor de bescheiden vader. Maar toch vraag ik me af wat er zou gebeuren als de medewerkster niet in haar stoel zou hangen? Als ze op de grond een blokkentoren bouwt met een kind, als ze samen met een kind een puzzeltje maakt, zou die vader dan nog zo uitgebreid de tijd nemen? Blijkbaar straalt de medewerkerster uit dat ze niets te doen heeft. Hoezo niets te doen, denk ik dan. Het is negen uur, dan is het heel goed te verkopen dat je helemaal geen tijd meer hebt voor ouders, maar alleen nog tijd voor de kinderen.
column in EigenWijs nr. 18, Tijdschrift voor pedagogische medewerkers van Kinderopvang Humanitas, maart 2008
‘Winkelmeisjes die tegen de toonbank hangen en alleen met elkaar in gesprek zijn: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een pedagogisch medewerker tegen me die een cursus klantvriendelijkheid volgde. ‘Leidsters die in de bank hangen als ouders binnenkomen: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst de trainer van zo’n klantvriendelijkheidcursus. ‘Leraren die tijdens een ouderavond tegen de kastenwand hangen terwijl de directeur de ouders toespreekt: daar erger ik me aan.’ Dat zei laatst een schoolhoofd tegen me. Het is duidelijk: hangen wekt geen positieve gevoelens bij mensen op. Hangen straalt vervelingen en onverschilligheid uit. Denk maar aan de overlast van hangjongeren wat elke dag de kranten haalt.
Zijn leidsters in de kinderopvang hangjongeren? Nee, daar hebben ze het te druk voor. Maar er zijn wel kritieke momenten, tijdens de breng- en haalmomenten bijvoorbeeld. Ook gewoon zitten, kan dan namelijk snel hangen worden. Niet het zitten en ondertussen een spelletje doen, maar wel het zitten met een kind op schoot. Hier wordt niets gedaan, straalt zo iemand uit. Hier wordt gezeten. En daar erger ík me aan.
Aan de leidster die ’s morgens vroeg met een ouder zit/hangt te ouwebetten als ik mijn kind breng. Flauw? Misschien wel, maar het gebeurt niet één keer, het gebeurt dagelijks. Althans alle dagen dat ik daar kom. En dan is het toch zeker al negen uur. Vader installeert zich ieder ochtend genoeglijk met zoon op schoot en praat, over de vakantie, over de huizenmarkt, over de hypotheek, over het weer. Over van alles, behalve over zijn kind.
Natuurlijk is het voor pedagogisch medewerkers moeilijk om alle ouders evenveel aandacht te geven. Om je de claimende vader van het lijf te houden en om tijd te maken voor de bescheiden vader. Maar toch vraag ik me af wat er zou gebeuren als de medewerkster niet in haar stoel zou hangen? Als ze op de grond een blokkentoren bouwt met een kind, als ze samen met een kind een puzzeltje maakt, zou die vader dan nog zo uitgebreid de tijd nemen? Blijkbaar straalt de medewerkerster uit dat ze niets te doen heeft. Hoezo niets te doen, denk ik dan. Het is negen uur, dan is het heel goed te verkopen dat je helemaal geen tijd meer hebt voor ouders, maar alleen nog tijd voor de kinderen.
Leugens, grote leugens en statistieken
in Management Kinderopvang, april 2008
Dol op statistieken zijn de media. Maar heb je er wat aan? Iedereen gaat ermee aan de haal. Nu weer met de cijfers over het effect van de extra gelden voor kinderopvang op de arbeidsparticipatie van vrouwen.
Zoals de CNV Vakcentrale: ‘Omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen niet toeneemt, zoals het CPB vandaag bekend maakte, wordt het hoog tijd dat informele kinderopvang voor een vergoeding in aanmerking komt.’ En wat maakte het CPB op die dag bekend: ‘De participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt is de afgelopen decennia fors gestegen, maar de gemiddelde baanomvang van werkende vrouwen is vanaf het begin van de jaren negentig nauwelijks veranderd.’
Elsevier pakt het onderwerp kinderopvang weer eens op naar aanleiding van een Telegraafkop over budgetoverschrijding. In een filmpje op de website roept een verbeten vrouwelijke redacteur iets over een bodemloze put. Recept voor fraude en je ziet alleen maar een verschuiving van informeel naar formeel, geen toename van de arbeidsparticipatie.
Daarentegen weet Ineke Dezentjé Hamming van de VVD heel precies dat we op dit moment een toename zien van de arbeidsdeelname van vrouwen. En dat komt door haar partij, die ‘heeft bijgedragen een slinger te geven aan het gebruik van de kinderopvang’ (BBMP, 02/08).
Al sinds 1975 stijgt de arbeidsparticipatie van vrouwen ieder jaar, zoveel is duidelijk. Maar met hoeveel? En heeft de Wet kinderopvang daar invloed op gehad? We komen er niet achter. Het SCP-rapport ‘Nederland Deeltijdland’ laat in een grafiek een gestaag opgaande lijn zien tot 66 procent in 2006 (arbeidsdeelname van vrouwen tussen 15 en 65) jaar. Maar het CBS laat die opgaande lijn stoppen bij 59,8 procent in 2006. Het is me niet gelukt om te achterhalen waarin het verschil zit. Wat wel helder is, is dat in de CBS-cijfers de stijging tussen 2005 en 2006 iets sterker is dan de voorafgaande jaren, maar niet sterker dan het gemiddelde van de afgelopen tien jaar. Weinig reden dus voor Dezentjé om zich zo op de borst te slaan, lijkt mij.
In de branche bespeur je inmiddels ook kritische geluiden over het Van Aartsen/Bos-effect. Bestaat dat effect wel? Natuurlijk is de bso salonfähig geworden door koppeling aan de basisschool. Een enorm sterk merk. Maar die extra toeloop naar de bso wordt die toch niet vooral veroorzaakt omdat al die voormalige crèchekinderen inmiddels op de basisschool zitten? Probeer dat maar eens te achterhalen uit de statistieken. Ik wens u veel succes.
in Management Kinderopvang, april 2008
Dol op statistieken zijn de media. Maar heb je er wat aan? Iedereen gaat ermee aan de haal. Nu weer met de cijfers over het effect van de extra gelden voor kinderopvang op de arbeidsparticipatie van vrouwen.
Zoals de CNV Vakcentrale: ‘Omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen niet toeneemt, zoals het CPB vandaag bekend maakte, wordt het hoog tijd dat informele kinderopvang voor een vergoeding in aanmerking komt.’ En wat maakte het CPB op die dag bekend: ‘De participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt is de afgelopen decennia fors gestegen, maar de gemiddelde baanomvang van werkende vrouwen is vanaf het begin van de jaren negentig nauwelijks veranderd.’
Elsevier pakt het onderwerp kinderopvang weer eens op naar aanleiding van een Telegraafkop over budgetoverschrijding. In een filmpje op de website roept een verbeten vrouwelijke redacteur iets over een bodemloze put. Recept voor fraude en je ziet alleen maar een verschuiving van informeel naar formeel, geen toename van de arbeidsparticipatie.
Daarentegen weet Ineke Dezentjé Hamming van de VVD heel precies dat we op dit moment een toename zien van de arbeidsdeelname van vrouwen. En dat komt door haar partij, die ‘heeft bijgedragen een slinger te geven aan het gebruik van de kinderopvang’ (BBMP, 02/08).
Al sinds 1975 stijgt de arbeidsparticipatie van vrouwen ieder jaar, zoveel is duidelijk. Maar met hoeveel? En heeft de Wet kinderopvang daar invloed op gehad? We komen er niet achter. Het SCP-rapport ‘Nederland Deeltijdland’ laat in een grafiek een gestaag opgaande lijn zien tot 66 procent in 2006 (arbeidsdeelname van vrouwen tussen 15 en 65) jaar. Maar het CBS laat die opgaande lijn stoppen bij 59,8 procent in 2006. Het is me niet gelukt om te achterhalen waarin het verschil zit. Wat wel helder is, is dat in de CBS-cijfers de stijging tussen 2005 en 2006 iets sterker is dan de voorafgaande jaren, maar niet sterker dan het gemiddelde van de afgelopen tien jaar. Weinig reden dus voor Dezentjé om zich zo op de borst te slaan, lijkt mij.
In de branche bespeur je inmiddels ook kritische geluiden over het Van Aartsen/Bos-effect. Bestaat dat effect wel? Natuurlijk is de bso salonfähig geworden door koppeling aan de basisschool. Een enorm sterk merk. Maar die extra toeloop naar de bso wordt die toch niet vooral veroorzaakt omdat al die voormalige crèchekinderen inmiddels op de basisschool zitten? Probeer dat maar eens te achterhalen uit de statistieken. Ik wens u veel succes.
donderdag 13 maart 2008
Christelijke kinderopvang
Column in Management Kinderopvang 3/2008
In de Werkgroep Onderwijs en Kinderopvang zitten twaalf afgevaardigden vanuit het onderwijs en vier vanuit de kinderopvang. Dat komt voornamelijk omdat het onderwijs zo verzuild is. Iedere zuil wil zijn eigen mannetje (of vrouwtje) bij dit overleg hebben. Gelukkig kennen wij een dergelijke verkokering niet, verzucht de kinderopvang dan.
Maar hoe lang blijft dat nog zo? Toevallig las ik onlangs op één dag twee berichten over christelijke kinderopvang.
Het allereerste was een nieuwsbericht over de oprichting van een christelijke gastouderbureau in Veenendaal. Volgens de manager van het nieuwe gastouderbureau is er behoefte aan gastouderopvang met een christelijke identiteit: ‘Als organisatie willen we graag werken vanuit deze identiteit. We geven dit vorm door van onze gastouders te vragen dat zij de bijbelse waarden en normen onderschrijven.’
Even later zag ik voor de tweede keer de woorden christelijk en kinderopvang met elkaar in verband gebracht. In de column van Marleen Barth, voorzitter van de onderwijsbond CNV: ‘De Clausschool heeft niet, zoals veel scholen hebben gedaan, de buitenschoolse opvang uitbesteed aan een reeds bestaand bedrijf voor opvang. Met eigen initiatief wordt de opvang aan het eigen schoolgebouw aangeboden. Kinderen van nul tot twaalf jaar kunnen er nu terecht. Wat het helemaal uniek maakt: de kinderopvang past bij de christelijke identiteit van de school.’
Toeval of trend? Feit blijft dat ook het katholieke, christelijke en niet te vergeten het islamitische onderwijs nog steeds levensvatbaar zijn. Ook in een ontkerkelijkte samenleving blijven ouders kiezen voor deze scholen. De vraag is of dat echt vanwege de godsdienstige identiteit van de school is. Of is het een keuze voor een school met ‘ons soort ouders’?
In ieder geval vinden basisonderwijs en kinderopvang elkaar steeds beter. Zelfs christelijk scholen, met vaak een meer traditionele opvatting over de taak van de moeder, vinden het geen bezwaar om op de speelplaats een bso-box neer te zetten. Daarmee trek je de verzuiling in de vrije tijd van kinderen, zeggen tegenstanders verontwaardigd. En dat aan het begin van de 21e eeuw! Maar zoals er behoefte is aan scholen met een eigen signatuur, is er in de toekomst misschien ook wel behoefte aan kinderopvang met een eigen gezicht. Dan weet je als ouders tenminste zeker dat kindercentrum Wolkewietje echt anders is dan kindercentrum Pinkeltje. Of dat dan ook meteen verzuilde kinderopvang moet zijn, is een andere vraag.
Column in Management Kinderopvang 3/2008
In de Werkgroep Onderwijs en Kinderopvang zitten twaalf afgevaardigden vanuit het onderwijs en vier vanuit de kinderopvang. Dat komt voornamelijk omdat het onderwijs zo verzuild is. Iedere zuil wil zijn eigen mannetje (of vrouwtje) bij dit overleg hebben. Gelukkig kennen wij een dergelijke verkokering niet, verzucht de kinderopvang dan.
Maar hoe lang blijft dat nog zo? Toevallig las ik onlangs op één dag twee berichten over christelijke kinderopvang.
Het allereerste was een nieuwsbericht over de oprichting van een christelijke gastouderbureau in Veenendaal. Volgens de manager van het nieuwe gastouderbureau is er behoefte aan gastouderopvang met een christelijke identiteit: ‘Als organisatie willen we graag werken vanuit deze identiteit. We geven dit vorm door van onze gastouders te vragen dat zij de bijbelse waarden en normen onderschrijven.’
Even later zag ik voor de tweede keer de woorden christelijk en kinderopvang met elkaar in verband gebracht. In de column van Marleen Barth, voorzitter van de onderwijsbond CNV: ‘De Clausschool heeft niet, zoals veel scholen hebben gedaan, de buitenschoolse opvang uitbesteed aan een reeds bestaand bedrijf voor opvang. Met eigen initiatief wordt de opvang aan het eigen schoolgebouw aangeboden. Kinderen van nul tot twaalf jaar kunnen er nu terecht. Wat het helemaal uniek maakt: de kinderopvang past bij de christelijke identiteit van de school.’
Toeval of trend? Feit blijft dat ook het katholieke, christelijke en niet te vergeten het islamitische onderwijs nog steeds levensvatbaar zijn. Ook in een ontkerkelijkte samenleving blijven ouders kiezen voor deze scholen. De vraag is of dat echt vanwege de godsdienstige identiteit van de school is. Of is het een keuze voor een school met ‘ons soort ouders’?
In ieder geval vinden basisonderwijs en kinderopvang elkaar steeds beter. Zelfs christelijk scholen, met vaak een meer traditionele opvatting over de taak van de moeder, vinden het geen bezwaar om op de speelplaats een bso-box neer te zetten. Daarmee trek je de verzuiling in de vrije tijd van kinderen, zeggen tegenstanders verontwaardigd. En dat aan het begin van de 21e eeuw! Maar zoals er behoefte is aan scholen met een eigen signatuur, is er in de toekomst misschien ook wel behoefte aan kinderopvang met een eigen gezicht. Dan weet je als ouders tenminste zeker dat kindercentrum Wolkewietje echt anders is dan kindercentrum Pinkeltje. Of dat dan ook meteen verzuilde kinderopvang moet zijn, is een andere vraag.
Crashtest
Column in Management Kinderopvang 2/2008
Elsevier heeft haar lijst van beste ziekenhuizen, Trouw van beste scholen, de Volkskrant kwam met een lijst van beste verpleeghuizen. Laten wij het AD nu eens een lijst van beste kinderdagverblijven bezorgen, dacht de Nationale Crèchetest waarschijnlijk. Maar het AD plaatste geen lijst en ging met de resultaten aan de haal. De prachtige cijfers - gastouderbureaus 8,4; kinderdagverblijven 8,0; en naschoolse opvang 7,8 – kregen nauwelijks aandacht. Wel prijkte op de voorpagina de kop ‘Kinderopvang schiet tekort’. In het artikel verder kritische opmerkingen over de bso uit de mond van Louis Tavecchio en Wendeline van Luijk, mede-organisator van de crèchetest. Dit was geen crèchetest, dit kun je beter een crashtest noemen.
Persbureaus ANP en Novum pikten het AD-nieuws snel op en daarom volgden er nog wat kranten. Zoals Trouw: ‘Ouders willen betere kinderopvang’; Gooi- en Eemlander: ‘Kwaliteit buitenschoolse opvang kan nog beter’ en als uitsmijter De Pers: ‘Kwaliteit van de kinderopvang is slecht’.
Werk aan de winkel dus voor de kinderopvang om die mooie cijfers wél voor het voetlicht te brengen. Zelfde zaterdag, om half 12, op de website van Omroep Brabant: ‘Kinderopvang Helmond beste van Nederland’. Was het Helmondse kinderdagverblijf Pantomime dat de lijst aanvoert zo slim om de locale media te tippen of was het een journalist die de lijst naploos op zoek naar de positie van lokale organisaties in de Top 25?
Lijstaanvoerder of hekkensluiter: de aanval is in zo’n geval de beste verdediging. Zelfs kinderdagverblijf nummer 25 had namelijk nog een rapportcijfer van 8,4 en bij de bso nog steeds een mooie 7,5. Maar waar was de branchevertegenwoordiger die uitlegde dat dit prachtige cijfers zijn? Zeker gezien de grote uitbreidingsoperatie van het afgelopen halfjaar. De MOgroep liet weten dat de ‘Crèchetest leidt tot een eenzijdig en negatief beeld in de media’. Daarmee zet ze zichzelf neer als een slechte verliezer die de boodschapper de schuld geeft. Wie klaagt over de pers trekt altijd aan het kortste eind. Maar wat erger is, ze leidt de aandacht af van deze mooie cijfers. Natuurlijk kun je kritiek hebben op de onderzoeksmethoden. En natuurlijk moet de AD-koppenmaker op staande voet ontslagen worden. Maar waarom met zulke cijfers nog bakkeleien over de pers of de onderzoeksmethode? Be good and tell it. Daarvoor was dit dé gelegenheid
Column in Management Kinderopvang 2/2008
Elsevier heeft haar lijst van beste ziekenhuizen, Trouw van beste scholen, de Volkskrant kwam met een lijst van beste verpleeghuizen. Laten wij het AD nu eens een lijst van beste kinderdagverblijven bezorgen, dacht de Nationale Crèchetest waarschijnlijk. Maar het AD plaatste geen lijst en ging met de resultaten aan de haal. De prachtige cijfers - gastouderbureaus 8,4; kinderdagverblijven 8,0; en naschoolse opvang 7,8 – kregen nauwelijks aandacht. Wel prijkte op de voorpagina de kop ‘Kinderopvang schiet tekort’. In het artikel verder kritische opmerkingen over de bso uit de mond van Louis Tavecchio en Wendeline van Luijk, mede-organisator van de crèchetest. Dit was geen crèchetest, dit kun je beter een crashtest noemen.
Persbureaus ANP en Novum pikten het AD-nieuws snel op en daarom volgden er nog wat kranten. Zoals Trouw: ‘Ouders willen betere kinderopvang’; Gooi- en Eemlander: ‘Kwaliteit buitenschoolse opvang kan nog beter’ en als uitsmijter De Pers: ‘Kwaliteit van de kinderopvang is slecht’.
Werk aan de winkel dus voor de kinderopvang om die mooie cijfers wél voor het voetlicht te brengen. Zelfde zaterdag, om half 12, op de website van Omroep Brabant: ‘Kinderopvang Helmond beste van Nederland’. Was het Helmondse kinderdagverblijf Pantomime dat de lijst aanvoert zo slim om de locale media te tippen of was het een journalist die de lijst naploos op zoek naar de positie van lokale organisaties in de Top 25?
Lijstaanvoerder of hekkensluiter: de aanval is in zo’n geval de beste verdediging. Zelfs kinderdagverblijf nummer 25 had namelijk nog een rapportcijfer van 8,4 en bij de bso nog steeds een mooie 7,5. Maar waar was de branchevertegenwoordiger die uitlegde dat dit prachtige cijfers zijn? Zeker gezien de grote uitbreidingsoperatie van het afgelopen halfjaar. De MOgroep liet weten dat de ‘Crèchetest leidt tot een eenzijdig en negatief beeld in de media’. Daarmee zet ze zichzelf neer als een slechte verliezer die de boodschapper de schuld geeft. Wie klaagt over de pers trekt altijd aan het kortste eind. Maar wat erger is, ze leidt de aandacht af van deze mooie cijfers. Natuurlijk kun je kritiek hebben op de onderzoeksmethoden. En natuurlijk moet de AD-koppenmaker op staande voet ontslagen worden. Maar waarom met zulke cijfers nog bakkeleien over de pers of de onderzoeksmethode? Be good and tell it. Daarvoor was dit dé gelegenheid
dinsdag 15 januari 2008
Regelmatig maar matig
Column in Management Kinderopvang, 1 2008
Egoïstische ouders die hun verantwoordelijkheid als opvoeder niet nemen: zo worden ouders die gebruik maken van kinderopvang in een brief in de Volkskrant omschreven. De krant promoveerde deze brief zelfs tot Brief van de dag onder de kop ‘Kinderopvang is voor ouders’.
Het onderwerp kinderopvang polariseert. In de media hoor je altijd de voor- en tegenstanders. Want op deze brief kwamen natuurlijk weer diverse reacties van gebruikers van kinderopvang: ‘ik ging vroeger ook naar de kinderopvang en daar heb ik nooit onder geleden’. Meestal ontaardt zoiets in een welles-nietesdiscussie tussen carrièrevrouwen en thuisblijfmoeders. De twee uitersten van het spectrum.
Verfrissend is het als de kinderopvang zelf zich eens laat horen. En dan niet, zoals te verwachten, als verdediger van de kinderopvang. Indruk maakt de kinderopvang pas als ze juist tegemoetkomt aan de kritiek van de tegenstanders. Door een gematigd geluid te laten horen. Een pleidooi voor verantwoord gebruik van kinderopvang.
Kinderrijk in Amstelveen deed dat. Elders in de Volkskrant kwam namelijk een ouder aan het woord die verontwaardigd meldde dat Kinderrijk vasthoudt aan twee dagen bso en de ouders niet toestaat één dag af te nemen. In het belang van het kind. En daarmee snoert Kinderrijk De-brief-van-de-dag-schrijfster de mond: misschien waken ouders soms te weinig over het welzijn van hun kinderen, de kinderopvang zeker niet.
Kinderopvang is er vooral voor kinderen en dan pas voor ouders. En wij als kinderopvang zorgen daarvoor. Dat draagt Kinderrijk hiermee uit. Daar kan geen branchebrede imagocampagne tegen op. Het tweedagenbeleid van Kinderrijk is daarmee niet alleen in het belang van het kind, maar ook in het belang van de sector. Het laat zien dat een kindercentrum meer is dan een bewaarschool. Dat leidsters tegenwoordig niet voor niets pedagogische medewerkers heten. Dat kinderopvang waakt over het welzijn van het kind. Dat kinderopvang niet onverantwoord is. En dat egoïstische ouders – zo ze al bestaan – gecorrigeerd worden door goed doordacht beleid van de kinderopvang.
‘Kinderopvang: regelmatig, maar matig’ zeggen ze in Berlijn. Zou dat ook voor Nederland niet een mooie boodschap zijn? Doet meer voor het imago van de kinderopvang dan ‘u vraagt, wij draaien’.
Column in Management Kinderopvang, 1 2008
Egoïstische ouders die hun verantwoordelijkheid als opvoeder niet nemen: zo worden ouders die gebruik maken van kinderopvang in een brief in de Volkskrant omschreven. De krant promoveerde deze brief zelfs tot Brief van de dag onder de kop ‘Kinderopvang is voor ouders’.
Het onderwerp kinderopvang polariseert. In de media hoor je altijd de voor- en tegenstanders. Want op deze brief kwamen natuurlijk weer diverse reacties van gebruikers van kinderopvang: ‘ik ging vroeger ook naar de kinderopvang en daar heb ik nooit onder geleden’. Meestal ontaardt zoiets in een welles-nietesdiscussie tussen carrièrevrouwen en thuisblijfmoeders. De twee uitersten van het spectrum.
Verfrissend is het als de kinderopvang zelf zich eens laat horen. En dan niet, zoals te verwachten, als verdediger van de kinderopvang. Indruk maakt de kinderopvang pas als ze juist tegemoetkomt aan de kritiek van de tegenstanders. Door een gematigd geluid te laten horen. Een pleidooi voor verantwoord gebruik van kinderopvang.
Kinderrijk in Amstelveen deed dat. Elders in de Volkskrant kwam namelijk een ouder aan het woord die verontwaardigd meldde dat Kinderrijk vasthoudt aan twee dagen bso en de ouders niet toestaat één dag af te nemen. In het belang van het kind. En daarmee snoert Kinderrijk De-brief-van-de-dag-schrijfster de mond: misschien waken ouders soms te weinig over het welzijn van hun kinderen, de kinderopvang zeker niet.
Kinderopvang is er vooral voor kinderen en dan pas voor ouders. En wij als kinderopvang zorgen daarvoor. Dat draagt Kinderrijk hiermee uit. Daar kan geen branchebrede imagocampagne tegen op. Het tweedagenbeleid van Kinderrijk is daarmee niet alleen in het belang van het kind, maar ook in het belang van de sector. Het laat zien dat een kindercentrum meer is dan een bewaarschool. Dat leidsters tegenwoordig niet voor niets pedagogische medewerkers heten. Dat kinderopvang waakt over het welzijn van het kind. Dat kinderopvang niet onverantwoord is. En dat egoïstische ouders – zo ze al bestaan – gecorrigeerd worden door goed doordacht beleid van de kinderopvang.
‘Kinderopvang: regelmatig, maar matig’ zeggen ze in Berlijn. Zou dat ook voor Nederland niet een mooie boodschap zijn? Doet meer voor het imago van de kinderopvang dan ‘u vraagt, wij draaien’.
maandag 7 januari 2008
Vrolijke Chaos
Column in eigenWijs nr. 17, tijdschrift voor pedaogigsche medewerkers van Kinderopvang Humanitas
Peuters en kleuters verschillen van elkaar. Maar vaak verschillen ze nog meer van zichzelf. Dat zegt de Groningse ontwikkelingspsycholoog Paul van Geert. Wat ze de ene dag niet kunnen, kunnen ze de volgende dag wel, en de dag erna weer niet. Van Geert noemt dat de vrolijke chaos van de ontwikkeling.
Dat maakt het ook moeilijk om te oordelen over de ontwikkeling van kinderen. Een meisje van twintig maanden dat niet loopt, is daar iets mis mee? Een jongetje van drie dat bijna niet te verstaan is, moet die naar de logopedist? Moeten ouders zich zorgen maken of juist niet? En moet een pedagogisch medewerker ervoor zorgen dat zij zich zorgen maken?
Veel kinderen komen ten onrechte in het medische circuit, vindt taalpatholoog Sieneke Goorhuis-Brouwer. Dat komt omdat deskundigen vaak te weinig kennis hebben van de vroegkinderlijke ontwikkeling.
In mijn eigen omgeving zie ik veel goedbedoelde adviezen. Het consultatiebureau zegt dat de gezonde tweejarige dochter van mijn vriendin te dik is. De pedagogische medewerker op het kinderdagverblijf benadrukt steeds weer dat Joost van amper drie toch wel erg slecht praat. De peuterspeelzaalleidster oordeelt op grond van één ochtendje peuterspeelzaal dat Catootje sinds de scheiding zo stilletjes is. Allemaal waar gebeurde voorbeelden. En allemaal goed bedoeld. Maar ze leiden ertoe dat ouders hun stekels opzetten. Ze staan niet meer open voor de bezorgdheid van de goedbedoelende partij.
Het is moeilijk om in deze tijd laconiek te blijven. Er is zoveel aandacht voor vroegtijdige onderkenning van ontwikkelingsachterstanden. Daarom wordt wel eens vergeten dat vroegtijdig ook te vroeg kan zijn. Het Turkse peutertje op de speelzaal dat geen woord Nederlands spreekt, heeft geen taalachterstand. Het is een beginner in het leren van Nederlands. Het weldoorvoede dochtertje van mijn superslanke vriendin raakt haar babyvet vanzelf wel kwijt. En Joost? Die praat inmiddels al een stuk beter.
Natuurlijk moeten pedagogische medewerkers achterstanden signaleren. Maar zij moeten de vertrouwenspositie met de ouders niet onnodig op het spel zetten. De zorg voor het kind is een gedeelde verantwoordelijkheid. Daarom is een goede en respectvolle relatie belangrijk.
In de roman die ik aan het lezen ben, weigert een neuroloog zijn patiënten advies te geven. Want bij het geven van advies worden vijf keer zo vaak medische fouten gemaakt als bij hersenoperaties, zegt hij. Overdreven misschien. Maar wel een terechte waarschuwing: kijk uit met goedbedoelde adviezen, denk aan de vrolijke chaos van de ontwikkeling.
Column in eigenWijs nr. 17, tijdschrift voor pedaogigsche medewerkers van Kinderopvang Humanitas
Peuters en kleuters verschillen van elkaar. Maar vaak verschillen ze nog meer van zichzelf. Dat zegt de Groningse ontwikkelingspsycholoog Paul van Geert. Wat ze de ene dag niet kunnen, kunnen ze de volgende dag wel, en de dag erna weer niet. Van Geert noemt dat de vrolijke chaos van de ontwikkeling.
Dat maakt het ook moeilijk om te oordelen over de ontwikkeling van kinderen. Een meisje van twintig maanden dat niet loopt, is daar iets mis mee? Een jongetje van drie dat bijna niet te verstaan is, moet die naar de logopedist? Moeten ouders zich zorgen maken of juist niet? En moet een pedagogisch medewerker ervoor zorgen dat zij zich zorgen maken?
Veel kinderen komen ten onrechte in het medische circuit, vindt taalpatholoog Sieneke Goorhuis-Brouwer. Dat komt omdat deskundigen vaak te weinig kennis hebben van de vroegkinderlijke ontwikkeling.
In mijn eigen omgeving zie ik veel goedbedoelde adviezen. Het consultatiebureau zegt dat de gezonde tweejarige dochter van mijn vriendin te dik is. De pedagogische medewerker op het kinderdagverblijf benadrukt steeds weer dat Joost van amper drie toch wel erg slecht praat. De peuterspeelzaalleidster oordeelt op grond van één ochtendje peuterspeelzaal dat Catootje sinds de scheiding zo stilletjes is. Allemaal waar gebeurde voorbeelden. En allemaal goed bedoeld. Maar ze leiden ertoe dat ouders hun stekels opzetten. Ze staan niet meer open voor de bezorgdheid van de goedbedoelende partij.
Het is moeilijk om in deze tijd laconiek te blijven. Er is zoveel aandacht voor vroegtijdige onderkenning van ontwikkelingsachterstanden. Daarom wordt wel eens vergeten dat vroegtijdig ook te vroeg kan zijn. Het Turkse peutertje op de speelzaal dat geen woord Nederlands spreekt, heeft geen taalachterstand. Het is een beginner in het leren van Nederlands. Het weldoorvoede dochtertje van mijn superslanke vriendin raakt haar babyvet vanzelf wel kwijt. En Joost? Die praat inmiddels al een stuk beter.
Natuurlijk moeten pedagogische medewerkers achterstanden signaleren. Maar zij moeten de vertrouwenspositie met de ouders niet onnodig op het spel zetten. De zorg voor het kind is een gedeelde verantwoordelijkheid. Daarom is een goede en respectvolle relatie belangrijk.
In de roman die ik aan het lezen ben, weigert een neuroloog zijn patiënten advies te geven. Want bij het geven van advies worden vijf keer zo vaak medische fouten gemaakt als bij hersenoperaties, zegt hij. Overdreven misschien. Maar wel een terechte waarschuwing: kijk uit met goedbedoelde adviezen, denk aan de vrolijke chaos van de ontwikkeling.
Abonneren op:
Posts (Atom)